Psalm 139: 1, 2 en 14
1
Niets is, o Oppermajesteit,
Bedekt voor Uw alwetendheid;
Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daan;
Gij weet mijn zitten en mijn staan;
Wat ik beraad', of wil betrachten,
Gij kent van verre mijn gedachten.
2
G' omringt mijn gaan en liggen, Gij,
O HEER', zijt altoos nevens mij;
Uw onbepaalde wetenschap
Kent mijnen weg van stap tot stap;
Geen woord is nog mijn tong ontgleden,
Of Gij, Gij weet alreeds mijn reden.
14
Doorgrond m' en ken mijn hart, o HEER';
Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?
Beproef m' en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed',
En doe mij toch met vaste schreden
Den weg ter zaligheid betreden.