Afscheidspreek ds. J.A. van der Velden
Dorpskerk IJsselmuiden - 22 mei 2005 - 17.00 uur
De roep in de Pinkstertijd
En de Geest en de Bruid zeggen:
Kom! En die het hoort, zegge: Kom!
Openbaring 22:20
Gemeente des Heeren,
Is de geschiedenis één grote mislukking? Van alleen maar
blunders? Gaat het naar een onvermijdelijke botsing
tussen onze Westerse cultuur en een onverdraagzame, godsdienstige islam?
Het heilsfeit van Pinksteren verkondigt ons: de Heilige Geest is uitgestort.
De geschiedenis is Zijn werkterrein. Hij schept ook de geschiedenis.
De geschiedenis van Christus’ gemeente. Dat is het allesbeslissende!
In het bijzonder vanaf de Pinksterdag is de Geest onafgebroken daarmee
bezig. Eerst het joodse volk. God heeft Zijn volk niet verlaten. Maar
dan ook de volken. Alle volken. De Geest oogst, wat Christus in Zijn
lijden en sterven aan het kruis en in Zijn opstanding uit de dood en
het graf heeft gezaaid. In dat oogstwerk heeft de Geest ook mij willen
gebruiken. Ruim 35 jaar, waarvan op één maand na 25 jaar
in uw midden. Er mocht geoogst worden. Jongeren en ouderen kregen de
Heere en de Heere Jezus Christus nodig, Die ons de vrede met God teruggeeft.
Er was geloofsgroei. Want als ons leven Christus is, dan is ons sterven
een thuis-komen bij Hem en bij de Vader in de hemelse heerlijkheid.
Er is een getuigend leven in woord en daad. Het wonder van de
gemeente. Ook nu! Hier en wereldwijd.
Maar Pinksteren is tegelijk het begin van het einde. Want er zit voortgang
in het werk van de Geest. Hij werkt naar de voltooiing van Zijn werk.
Dat is op de dag van de wederkomende Christus. En nu zegt onze tekst
dat geweldige: Héél dat tijdperk van de Geest, tot op
die dag, al dat vergaderen en bewaren van Christus’ gemeente,
al dat preken en geloven, al die groei en achteruitgang, al dat lijden
terwille van Hem, ja, al die eeuwenlange kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis,
dit alles komt te staan in deze roep: Kom, Heere Jezus!
En die roep is tweestemmig: van de kant van de Geest en van de kant
van de gemeente. Het is het kernwoord en het wachtwoord van al die eeuwen.
En wie ‘kom!’ roept, grijpt vooruit naar de toekomst. Naar
Hem, Die komt.
Prachtig is het, dat Christus zelf - als één van de laatste
dingen, dat hier rapporteert. Door heel dit Bijbelboek klinkt het eerst
uit Zijn eigen mond: Zie, Ik kom. Maar nu mag Hij in de hemel ook horen:
dat de Geest en Zijn gemeente op aarde roepen: Kom!
Maar één woord. Liefde en verlangen kunnen met weinig
woorden toe. En nu heeft Christus Zijn gemeente en ons niet verzwegen,
langs welke weg Hij bezig is te komen. Juist ook in dit laatste Bijbelboek.
De weg van oorlog en van dood, van rampen en van vervolging en lijden
om Hem; de weg van Gods oordelen. Van strijd en van bestrijding. Want
waar de Geest van God en van Christus werkt en overwint, daar komt ook
verzet en vijandschap. Daar zijn de tegenkrachten. Daar is satan en
zijn rijk. Dat is toch ook zo in ons eigen hart en leven?
Maakt Hij plaats voor God en overtuigt Hij ons van zonde, van onze onvrede
met Hem en van de gevolgen?
Dat wij Zijn toorn verdienen. Blijvend.
Bindt de Geest ons aan Christus en doet Hij ons delen in de vruchten
van Zijn werk.
Wat een diepe vreugde en gegronde hoop vervult dan ons hart en leven.
Maar het gaat niet zonder strijd. Ongeloof en onwil moeten worden overwonnen.
En gaat het ons om het volgen van Christus, en om Zijn gezindheid te
tonen? Dat spreekt niet vanzelf. Daar is en blijft de strijd tussen
de Geest en ons eigen vlees. Christus heeft Zijn gemeente op aarde dit
alles niet verzwegen. Opdat ook wij daar rekening mee zullen houden
en ons daardoor niet laten verrassen en ontmoedigen.
Dan is het slot dit: Dat er vanaf de aarde almaar
geroepen wordt om Christus’ komst. Juist na alles, wat wij gehoord
hebben. En dan is het de Geest, die als eerste roept. Dat kan ook
niet anders. Want Hij is de Geest van Christus en van God, de Vader.
Daar is Zijn werk toch aan te herkennen in de gemeente en in ons eigen
hart en leven. Wij kunnen niet meer buiten God. Soms is Hij o zo dichtbij.
Dan is Hij ook weer zo ver weg. Door de Geest ga je de Heere Jezus
nodig krijgen. Je kunt en je wilt Hem niet meer missen in de zondenood
van je leven en sterven, in je verlorenheid voor God. Hij wordt je
alles. Je Heiland. Is Hem is God je genadig en ben je Zijn kind.
Door de Geest worden wij een nieuwe schepping.
Wij zijn herkenbaar aan de liefde. Bereid om elkaar te vergeven, schuld
te erkennen en je bent trouw en te vertrouwen. Je houdt zoveel mogelijk
vrede met alles mensen.
Met het oog op dit alles woont en werkt de Geest in ons mensenhart.
Dat afkerige, onwillige hart.
Dat dat Zijn werkterrein is en blijft, is Zijn genade en trouw en
groot geduld.
Maar het is ook een vernedering. Zijn hemelse woonplaats heeft Hij
willen inruilen voor ons, voor mijn hart.
Wat wordt de Geest nog veel verdriet aangedaan. Door zoveel ongeloof
en vijandschap; door alles wat niet past bij God en Zijn geboden en
bij Christus en Zijn gezindheid door alle tegenmachten en tegenkrachten.
Door de weg, waarlangs Christus wederkomt, door de verdeeldheid in
Zijn gemeente en wereldwijde kerk.
Geen wonder, dat Hij roept, verlangt naar het einde. Naar Christus’
komst.
Want dan is ook Zijn oogstwerk voltooid. Het joodse volk is tot zijn
bestemming gekomen: in de aanvaarding van Jezus Christus als de Messias
en Verlosser. En alle volken zijn toegebracht tot Hem en de God van
Israël. Dan is daar Christus’ oordeel. Voor hen, die geloven
de vrijspraak. Voor de ongelovigen de veroordeling. De volle, nieuwe
dag breekt aan.
De voleinding. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Heel deze geschapen werkelijkheid zal eeuwig verlost zijn van elle
vormen van verderf.
God zal zijn alles in allen. De eeuwige vreugde. U blijft daar toch
niet buiten door buiten Christus te leven en te sterven? Maar deze
roep ‘kom’ is twee-stemmig. Ook de gemeente roept. De
Geest krijgt haar zo ver. Zijn verlangen wordt ook haar verlangen.
Een o zo teer woord gebruikt Christus hier. Hij spreekt Zijn gemeente,
ons, aan als Zijn bruid. Hij is de Bruidegom. Bruidegom en bruid hebben
elkaar lief. Ze zijn alles voor elkaar. Welke bruidegom houdt nu meer
van zijn bruid dan Christus van Zijn gemeente, van ons? Hij heeft
Zichzelf helemaal voor ons overgehad: Zijn dood aan het kruis. De
straf, die ons de vrede brengt, was op Hem. Ik voor u; Ik in uw plaats.
Wat een Bruidegom. Zullen wij Hem dan ook maar liefhebben boven alles?
Hij is het zo waard. Bij Hem hebben wij het echt goed en zijn we eeuwig
gelukkig.
Maar voordat de trouwdag en de bruiloft aanbreken, bruidegom en bruid
helemaal bij elkaar zijn in volle liefde, moet er eerst vaak gewacht
worden. Daarom verlangt de bruid ook. En als het goed is, laat zij
zich door niets daarvan aftrekken.
Want zij weet het zeker: mijn Bruidegom komt. Onze bruiloft komt.
En wat zegt Christus nu, als de hemelse Bruidegom? ‘Ik hoor
Mijn bruid, op aarde, roepen om Mijn komst’.
Er wordt naar Mij uitgezien, naar de bruiloft. De volkomen liefdesomgang
met Mij en met God, Mijn Vader,
straks op de nieuwe aarde en onder de nieuwe hemel. Wat een leven
en een vreugde zal dat zijn.
Nu nog niet voor te stellen en nog niet te ervaren. Ja, de Geest gaat
hier voorop. Want wij weten niet, wat wij roepen, verlangen en bidden
zullen, zoals het behoort.
Juist ook als het gaat om de toekomst. Maar ook hierin komt Hij ons,
Christus’ bruid, te hulp. Hij roept het ons voor en Hij perst
het er altijd weer opnieuw uit: de roep van de liefde, die roep om
die Ene, om dat ene: de bruiloft.
Ja, zo zorgt de Geest ervoor, dat wij niet vastlopen in onze kleine
zaakjes, angsten en onzekerheden, niet beheerst worden door wat we
gehoord hebben over de weg, waarlangs Christus komt.
Maar dat wij blijven zien op Christus, Die ons heil en onze blijdschap
is. Die heeft overwonnen en die het zegt: Ik kom!
En zo, samen met de Geest verlangen, roepen wij: Kom! Samen ook met
de gezaligden, in de hemel.
‘Zeggen’, staat er in de tekst. Blijkbaar wordt de roep
van de Geest en van de bruid opgemerkt door anderen. Want er staat
in het vervolg: ‘Wie het hoort…’
Het gaat dus ook om een bepaalde houding naar buiten toe. Een bruid
gedraagt zich als bruid. Dat is aan haar te merken en te zien.
Zijn wij bruid van Christus, door geloof en liefde aan Hem verbonden?
Dan is dat ook aan ons te horen en te zien. En in ons gedrag leven
wij, zoals onze Bruidegom het graag ziet. Zijn beeld gaan wij vertonen.
Dit leven is niet het één en het al.
Wij verstaan onze roeping, maar houden tegelijk afstand. Wij houden
iets van de vreemdeling, van de pelgrim. We zijn op doorreis. Wij
lijden smart terwille van Hem. Erg, als wij, als gemeente, en persoonlijk,
ons niet als bruid gedragen. Dat is altijd weer een grote verleiding.
Helaas ook werkelijkheid. Tot groot verdriet van de Geest en van onze
Bruidegom.
En die het hoort, zegge: Kom! Eén van Christus laatste bevelen.
Hij wil zo graag, dat wij gaan meeroepen. Onder Israël en de
volken, ook in de afgelopen jaren in ons midden, is uitgeroepen: Christus
is gekomen. De Geest kwam ook tot ons met Zijn heil. Hij komt terug.
Zijn komst en komen alleen zijn echt belangrijk. Komt allen tot Hem,
die vermoeid en belast zijt, en Hij zal u rust, vrede, troost en hoop
geven.
Dan kan het niet anders, dat ook wij gaan meeroepen: Kom! In dat grote
koor; in alle talen.
Erg, als wij nog alleen maar lege mensenpraatjes roepen. Vredelijk
zijn dan de gevolgen.
Ook wij hoorden en horen nog. Heerlijk, als ook wij meeroepen: Kom!
Zet nu toch door!
Christus komt. Wij horen Zijn voetstappen.
De volken worden bereikt met Christus heil. Het Joodse volk is bezig
tot zijn bestemming te komen. De volle oogst moet de Geest nog binnenhalen.
Het is een schare, die niemand tellen kan. Nog zijn we onderweg. En
het machtig einde is in zicht!
Amen.
J.A. van der Velden
IJsselmuiden 22 mei 2005
|