Ruimte voor homofiele gevoelens
Laat de kerk ook
eens positief spreken over homofiel-zijn!
Door Herman van Wijngaarden
Stel, na jaren vol van verwarring en angst komt een jongere
tot de conclusie: het kan niet anders, ik ben homo! En stel dat deze
jongere ook nog eens behoort tot een orthodox-christelijke gemeente
in Nederland. Hoe zou die jongen of dat meisje dan in zijn of haar gemeente
opgevangen worden? Antwoord: waarschijnlijk helemaal niet! Want de kans
dat zo’n jongere überhaupt met zijn verhaal naar bijvoorbeeld
de dominee stapt, is klein. Niet dat hij er geen behoefte aan heeft
om zijn verdriet en vragen met anderen te delen. Het is veel meer dat
hij niet verwacht dat de kerk hem verder kan helpen. Waarom zou je er
dan over praten…?
Ik weet niet voor hoeveel homofiele jongeren dit opgaat.
In ieder geval gold het destijds voor mijzelf en ik denk dat er sindsdien
té weinig veranderd is om over de huidige situatie optimistisch
te kunnen zijn. De meeste homofielen houden zich nog steeds angstvallig
verborgen. Op de één of andere manier durven ze nog steeds
niet te vragen om het begrip en de hulp die ze juist zo hard nodig hebben.
En als ze dat wél durven, is het nog maar de vraag of de gemeente
ook werkelijk iets te bieden heeft. Want dat de homoseksuele praktijk
zonde is, dat zal waar zijn, maar hoe ga ik dan om met mijn seksuele
gevoelens, die ik nu eenmaal niet kán wegstoppen? Wat moet ik
als een gemeente juist dit soort vragen niet aankan of –wil?
Er gaat hier veel mis. Tegenover antwoorden die geen
recht doen aan de Schrift, staan minstens zoveel antwoorden die geen
recht doen aan de homofiel - met alle gevolgen van dien. Het enige wat
dan overblijft, lijkt de verlegenheid te zijn die dr. ir. J. van der
Graaf onlangs over dit onderwerp uitte in het Nederlands Dagblad: ‘Ik
kan uit de Schrift geen legitimatie afleiden voor homoseksuele relaties.
Maar hoe moet het dan? Ik begrijp best dat ik hiermee te weinig zeg,
maar meer zeg ik er niet over’. Het siert Van der Graaf dat hij
zich bescheiden opstelt, maar het zal duidelijk zijn dat een gemeente
van Christus het hierbij niet kan laten. In de eerste plaats om de homo’s
niet: er zijn er al téveel die de weg door het leven en/of die
van het geloof zijn kwijtgeraakt.
Maar ook om de kerk zelf niet. Niet voor niets wordt
wat dit betreft een alarmerend scenario getekend: homoseksualiteit zou
hét struikelblok van de kerk in de 21e eeuw zijn. De kerk kan
het probleem wel proberen te negeren, maar dan woekert het als een veenbrand
ondergronds voort, om vroeg of laat bovengronds toe te slaan. Kortom,
het kan niet langer wachten: laat de kerk bewijzen dat ze homo’s
iets te bieden heeft waarmee zij als christenen verder kunnen!
Dikke knopen
Niet blijven steken in de verlegenheid dus. Toch betekent dit geen pleidooi
voor kant en klare antwoorden. Ik moet zeggen dat ikzelf destijds liever
met iemand als Van der Graaf had gepraat dan met de ouderling die Adrian
Plass als een soort karikatuur beschrijft in zijn novelle Het Bezoek.
In tegenstelling tot Van der Graaf weet deze ouderling precies hoe het
zit met homoseksualiteit. Philip, een homofiele jongen uit zijn gemeente,
had de Grondlegger dan ook helemaal niet met zijn probleem hoeven lastigvallen.
Maar goed, nu hij dat tóch gedaan heeft, wacht ouderling Van
der Steur het resultaat met vertrouwen af: ‘Ik weet zeker, dat
als Philip zo terugkomt, hij precies weet hoe ernstig de zaken ervoor
staan. Ik veroordeel hem niet. De Schrift veroordeelt de zonde, niet
de zondaar. Het afgelopen uur zal Philip van de hoogst mogelijke instantie
hebben gehoord, dat de Ware Christen niet meer hoeft te zondigen. En
hij moet leren in die waarheid te leven tot zijn geloof wordt bewezen
door de verandering die in hem plaatsvindt’.
Het lijkt eigenlijk misschien nog best mooi: geen veroordeling,
homoseksualiteit is weliswaar zonde, maar je kunt ervan afkomen. Toch
zijn dit stelligheden die tekortschieten, alleen al omdat ze Philip
geen ruimte bieden om zijn twijfels, vragen en verdriet op tafel te
leggen. Het verhaal van Plass is een waarschuwing om het probleem niet
zomaar terug te brengen tot een paar simpele waarheden. Wat dat betreft,
zou het heilzaam zijn als de kerk wat méér verlegenheid
toeliet over deze kwestie. Een verlegenheid waarin de homo iets van
zichzelf herkent. Want laten we eerlijk zijn: als het erop aankomt,
is homoseksualiteit een onderwerp waarvan we een heleboel niet snappen.
Hoe wordt iemand homo? Waarom laat God het toe dat ook sommigen van
Zijn kinderen homofiele gevoelens hebben? En waarom wil Hij vervolgens
niet dat zij die gevoelens uiten in een seksuele relatie? Dat zijn allemaal
vragen waar ikzelf in ieder geval geen duidelijke antwoorden op heb
gevonden.
Ze laten ondertussen wél zien dat homoseksualiteit
geen makkelijk hanteerbaar probleem is. Zowel psychologisch als theologisch
en (vooral ook) pastoraal liggen hier dikke knopen die je zomaar niet
ontward hebt. Dat de kerk ervoor terugschrikt, is dus eigenlijk best
te begrijpen. Wie zich eraan waagt, weet bij voorbaat dat hij het nooit
(helemaal) goed doet… En toch zal het moeten: samen met homo’s
zoeken naar een begaanbare weg die recht doet aan hun mens-zijn én
aan het spreken van God.
Demonisering
Dat gebeurt tot op heden veel te weinig. Er zijn maar weinig gemeenten
waar homo’s weten: hier kunnen en durven ze het aan om over mijn
gevoelens te praten. Dat komt natuurlijk heel gewoon ook doordat het
over seks gaat – en dat is nu eenmaal een kwetsbaar onderwerp.
Zeker als je er op een eerlijke manier over wilt praten. Want dan moet
je erkennen dat we op dit terrein allemaal de gebrokenheid van de schepping
ervaren – of we nu homo of hetero zijn. Het is echt niet zo dat
hetero’s hier aan de goede kant van de lijn staan en homo’s
aan de foute. Dat laatste denken veel hetero’s (bewust of onbewust)
misschien wel, maar als ze eerlijk zijn, moeten ze erkennen dat ook
hún beleving van seksualiteit niet is zoals God ze bedoeld heeft.
Waar dat erkend en beleden wordt, komen homo’s en hetero’s
heel dichtbij elkaar te staan. Dat zou voor beide ‘groepen’
wel eens heel heilzaam kunnen zijn. Maar er is wél durf voor
nodig!
Het gesprek over homoseksualiteit moet dus niet geïsoleerd worden
van andere vragen over seksualiteit. Er is voldoende reden om het onderwerp
seksualiteit binnen de gemeente veel breder aan de orde te stellen.
Waar dat gebeurt, zal bovendien blijken dat veel hetero-christenen niet
eens hun eigen seksueel-zijn positief kunnen aanvaarden, laat staan
dat ze het aankunnen om erover te praten dat sommige gemeenteleden homoseksueel
zijn. Oké, er wordt ook binnen de kerk steeds opener over seksualiteit
gepraat. Maar als het erop aankomt, blijft het voor veel christenen
bijvoorbeeld een gekke gedachte dat je God ooit zou kunnen danken ‘omdat
je lekker gevreeën hebt’. En de suggestie dat Jezus seksuele
gevoelens zal hebben gehad, grenst voor velen al aan godslastering.
Seksualiteit kan sowieso niet goed zijn!
Is het dan gek dat de kerk het onderwerp homoseksualiteit
nauwelijks aankan? Het wordt wel meer dan vroeger aan de orde gesteld,
maar de manier van benaderen blijft in evangelisch/reformatorisch Nederland
vaak erg negatief. Niet alleen als het gaat over de homoseksuele relatie,
maar ook als de homofiele gerichtheid ter sprake komt. Hele boeken worden
er volgeschreven waaruit je eigenlijk alleen maar déze conclusie
kunt trekken: homofilie is niks meer en niks minder dan een vuile bron
van wanbedrijven. Of zoals ook wel gezegd is: ‘een uiting van
diabolische anti-liefde’. Natuurlijk is er compassie voor mensen
die zo’n vuile bron met zich meedragen, maar de boodschap is er
niet minder duidelijk om: homofiele gevoelens zijn slecht, verwerpelijk
en zondig. Christen-homo’s worden dan ook opgeroepen om hun seksuele
gevoelens te beschouwen als behorend tot de oude natuur die met Christus
is meegekruisigd – waardeloos!
Vreemd genoeg is dit een boodschap die je als homo
aanvankelijk erg kan aanspreken – dat deed het mij ook! Je wílt
die gevoelens tenslotte helemaal niet en wat is dan aantrekkelijker
dan een boodschap die er radicaal mee afrekent? Maar velen lopen er
ook ontzettend in vast. Je kan er gek van worden als je alleen maar
negatief mag denken over iets wat zó tot je menszijn behoort,
terwijl er (ondanks alle inspanningen) niets aan verandert. Ik denk
dat de kerk zich goed moet realiseren wat deze ‘demonisering’
van homofilie teweegbrengt. ‘Ik heb de duivel in me’, zei
een jongen tegen me toen hij vertelde over zijn homofiele gevoelens.
En hij liep weg…
Positief spreken
Maar hoe kunnen christenen dan ánders over homoseksualiteit praten
dan alleen negatief? Eenvoudigweg door in de Bijbel niet méér
te lezen dan er staat. De Bijbel is er duidelijk over dat God de homoseksuele
relatie ziet als zonde. Maar wáár staat dat ook de homofiele
gevoelens afgekeurd worden? Als we dat erin moeten lezen, moeten we
er óók in lezen dat zolang iemand ongetrouwd is, hij geen
enkel seksueel gevoel mag hebben. Terecht vinden we dat onzin, maar
waarom vinden we dan wél dat het niet kunnen hebben van een homoseksuele
relatie ook alle homofiele gevoelens verdacht maakt? Wie dat zegt, zegt
méér dan de Bijbel!
Er is dus ruimte om ook goede dingen te zeggen over homofiele gevoelens!
Niet alsof er niks mee aan de hand is, want homofiele gevoelens dragen
de littekens van de zondeval op een scherpe manier in zich. Maar ‘toch
moeten we niet zover gaan dat we de homofiele gesteldheid slechts kunnen
opvatten als een bron waaruit alleen maar vuil water opwelt’.
Dat laatste is een citaat van prof. dr. J. Douma, die er wat mij betreft
heel mooie dingen over zegt in het boekje Homofilie en christen zijn:
‘Ook de homofiel heeft het vermogen vriendschap te sluiten en
liefde te tonen. Hij kan zich ontplooien in een vriendschap die van
grenzen weet. Het is niet zo dat hij aan zijn handicap – want
die heeft hij - moet sterven; hij kan ermee leven, niet alleen met verdriet,
vaak ook met vreugde. Het is een dopers standpunt wanneer we de homofiel
aan zijn gesteldheid en de daaruit onherroepelijk voortvloeiende erotische
gevoelens willen laten sterven. Zo in de trant van: bekeer je, neger,
en word blank. Tussen seksualiteit en erotiek mag onderscheid gemaakt
worden. Niet alles wat mooi is in de aantrekking van de seksen, wordt
lelijk als homofielen elkaar bewonderen en liefhebben. Ook de homofiel
heeft weet van begeerten en verlangens, die hij niet hoeft te doden
als ze onvervuld moeten blijven’.
Dit roept natuurlijk weer nieuwe vragen op, want hoeveel
ruimte is er dan voor de homofiele gevoelens? Wat kan wél en
wat kan níet? Vaak wordt hierbij Mattheüs 5:28 genoemd:
wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft al overspel met haar
gepleegd. Dat geldt dan toch ook voor homofiele gevoelens? Inderdaad,
maar juist in deze tekst zit ook de ruimte besloten waarover Douma het
heeft. Er is immers een principieel verschil tussen ‘een vrouw
aanzien’ (haar aantrekkelijk vinden) en ‘een vrouw aanzien
om haar te begeren’ (= je ernaar uitstrekken om haar te bezitten).
Homofiele gevoelens zijn niet per se ook verkeerde lustgevoelens. Het
is de kunst om daar op een zuivere manier mee om te gaan. Maar dat geldt
voor hetero’s net zo goed!
Nieuwe wegen
Als we er zó over kunnen praten, wordt het probleem volgens mij
beter hanteerbaar en (dus ook) bespreekbaar. Natuurlijk blijft het dan
nog moeilijk zat (!), maar als christelijke gemeente kun je werkelijk
ruimte geven aan de homofiele broeder of zuster. Je laat zien dat ze
er – voor Gods aangezicht en dus ook binnen de gemeente - mogen
zijn zoals ze zijn: zij hoeven hun homofiele gerichtheid niet te ontkennen
of weg te stoppen, maar kunnen komen tot een positieve aanvaarding ervan.
Tegelijkertijd doe je recht aan de grens die de Bijbel stelt aan het
uiten van deze gevoelens: geen seksuele relatie.
Nu weet ik natuurlijk ook wel dat dit volgens steeds
meer christenen juist géén begaanbare weg is! Want in
wezen zijn ze het eens met de mensen die zeggen: als de seksuele relatie
zonde is, zijn de gevoelens dat ook. Met dit verschil dat ze het omdraaien:
als de gevoelens kunnen, moet er óók ruimte zijn voor
de homoseksuele relatie. Een tussenweg zien zij niet. En dus wordt er
gezocht naar wegen om vanuit de Bijbel te kunnen verantwoorden dat homo’s
wél een seksuele relatie aangaan. Het probleem daarbij is alleen
dat de betreffende bijbelteksten zelf geen enkele aanleiding geven om
ze te lezen zoals men ze graag wil lezen. Iemand als dr. Robert A.J.
Gagnon heeft dat onlangs nog eens duidelijk laten zien in zijn studie
The Bible and Homosexual Practice. Wat overblijft, is dan hoogstens
de overtuiging of de hoop ‘dat de Geest nieuwe wegen in de tijd
schrijft’, waardoor we ons niet meer gebonden hoeven te weten
aan het oud- én nieuwtestamentische verbod op de homoseksuele
praktijk.
Het zou flauw zijn om dat simpel af te doen als ‘nieuwlichterij’
– daarvoor zijn deze christenen té serieus bezig met de
Schrift. Het sterke is bovendien dat ze er werkelijk voor hun homofiele
broeders en zusters willen zijn. Daar kunnen heel wat gemeenten een
voorbeeld aan nemen. Toch vraag ik me af of met dit standpunt tegelijkertijd
geen belangrijke zwakheden van de huidige kerk verbloemd worden. Ik
zie er iets in van een kerk die het onderwerp homoseksualiteit dáárom
niet aankan, omdat ze zich teveel heeft laten beïnvloeden door
de omliggende cultuur.
Kruisdragen
Om te beginnen is er sprake van overwaardering van seksualiteit. Seksualiteit
behoort tegenwoordig tot de primaire levensbehoeften: zonder dat kun
je niet leven. Je moet dus ook wel gefrustreerd raken als je seksueel
niet aan je trekken komt. Dit denken is zó vanzelfsprekend geworden,
dat het bijna belachelijk lijkt om hiernaast het bijbelse standpunt
te zetten: een mens kan weliswaar niet zonder liefde, maar wél
zonder seksualiteit. Jezus zegt zelfs dat afzien van seksualiteit een
manier kan zijn om des te meer tot je bestemming te komen (Matth. 19:12).
En ik geloof er niks van dat Hij dat alleen bedoelde voor mensen die
er toch al niet zoveel trek in hadden…Iedere ongetrouwde, vrijwillig
of onvrijwillig, wordt gemaand te leven in seksuele onthouding.
Een ander element dat we van onze omliggende cultuur
hebben overgenomen, is dat we het leven zijn gaan bezien vanuit ons
‘recht op geluk’. Hier en nu moeten we het allemaal hebben:
gezondheid, succes, geld, seks. En we snappen niet dat God ons die dingen
soms juist ontneemt om ons te leren dat Hij iets hogers met ons voorheeft!
We zijn er niet om hier en nu gelukkig te zijn. We zijn er om God te
leren kennen en Hem te dienen! En dat brengt kruisdragen en zelfverloochening
met zich mee – pijnlijk, maar wél met de belofte dat wie
zijn leven zal verloren hebben om Zijnentwil, honderdvoud zal ontvangen
en het eeuwige leven beërven (vgl. Matth. 10:39, 19:29).
Misschien is dít geloof nog wel
het belangrijkste om als gemeente de vragen rond homoseksualiteit aan
te kunnen. Niet als dogma’s om homo’s mee zoet te houden,
maar als werkelijkheid waar de hele gemeente uit leeft. De meeste steun
ervaar ik tenslotte van christenen die zélf weten wat kruisdragen
is en die dat tóch blijmoedig doen. Verschillende van hen zijn
óók ongetrouwd, zij het om een andere reden. Andere hebben
man/vrouw en kinderen, maar zijn soms jaloers op mijn specifieke mogelijkheden.
Samen staan we voor dezelfde roeping: in onze eigen situatie een dienstknecht
van Christus te zijn (1 Kor. 7). Daar hebben we elkáár
bij nodig!
Herman van Wijngaarden is medewerker van de
Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond HGJB.
Dit artikel is verschenen in CV-Koers juli 2003