Homoseksualiteit in exegetisch - hermeneutisch perspectief
Prof. dr. Jan Hoek
Lezing voor Oriëntatie- en Studiedagen voor theologiestudenten van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland, Hydepark - Driebergen, 22 augustus 2007.
1. Het gaat om mensen…
Het ligt voor de hand dat bij de samenstelling van het programma voor deze Oriëntatie - en Studiedagen rond gereformeerde hermeneutiek ook het item ‘homoseksualiteit’ is opgevoerd. Vrijwel over de gehele wereld is dit immers in christelijke kerken van allerlei signatuur een omstreden kwestie, waarbij emoties hoog oplopen en meer dan eens kerkscheuringen dreigen of zich reeds hebben voltrokken. Deze heftigheid hangt zeker samen met de snelheid waarmee ontwikkelingen zich hebben voorgedaan. In een tijdsbestek van dertig jaar zijn de opvattingen van de meerderheid van de Nederlanders over homoseksualiteit omgeslagen van openlijk afkeuren via gedogen naar openlijk goedkeuren. Dat is bijzonder opmerkelijk, temeer omdat er nog altijd een aantal onbeantwoorde vragen is rondom de homoseksuele oriëntatie. Is dit een tijdelijke of een permanente conditie? Wat is de oorzaak ervan? Wanneer ontstaat deze (aangeboren of verworven)? Deze en vele andere vragen lijken eenvoudig te zijn overgeslagen in de ontwikkeling van een nieuwe moraal die uitgaat van de slogan: ‘Het moet kunnen’. Vanuit de homobeweging is zonder bewijs geponeerd dat de homoseksuele oriëntatie aangeboren, onveranderlijk en gewenst is en in de publieke opinie is dit overgenomen.
In de kerken liggen de standpunten meer divers dan over het algemeen in de samenleving: de Rooms-Katholieke Kerk blijft officieel bij haar vroegere afkeuring, kleine protestantse kerkgenootschappen van moderne snit, zoals de Remonstrantse Broederschap en de voormalige Evangelisch Lutherse Kerk, keuren de ontwikkelingen goed, andere, behoudende, kleinere kerken zoals de Hersteld Hervormde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten wijzen ze af, de Protestantse Kerk in Nederland is innerlijk verdeeld en beweegt zich in meerderheid tussen gedogen en goed keuren.
Duidelijkheid is in elk geval voor heel de kerk en voor elke gemeente in het bijzonder van groot belang. In onze tijd kan een kerkenraad zijn principiële positie en de achtergronden van zijn beleidskeuzes niet langer eenvoudig bekend veronderstellen. In een beleidsplan, op de preekstoel, in het kerkblad, op een kring of catechisatie moet opening van zaken gegeven worden. ‘De kerk moet ervan uitgaan dat er ieder jaar weer een aantal tieners is dat zichzelf, voor het eerst en met bezorgdheid, afvraagt of ze homo zijn. Ze lopen in stilte rond met die vragen. Daarom zijn duidelijkheid, maar ook begrip en aandacht hard nodig. De kerk kan haar verantwoordelijkheid voor deze jonge mensen nooit zwaar genoeg nemen’ . Helderheid en openheid is ten allen tijde beter dan dubbelzinnigheid en mistigheid. Kerken moeten zich dus duidelijk en betrouwbaar uitspreken over homoseksualiteit.
Het gaat daarbij niet om zwart-wit tekeningen. Er zijn vele onbeantwoorde vragen en er zijn even zovele nuances aan te brengen. In zijn uitstekende artikel ‘Homoseksuele relaties en de bijbel’ zegt Theo A. Boer terecht: ‘Vrijwel niemand is expert genoeg om recht te doen aan de exegetische, hermeneutische, bijbels - theologische, psychologische en biologische, sociologische, pastorale en ethische aspecten van het thema’ . Dat stemt ons tot bescheidenheid.
Er is nog een opmerking van Boer die ik wil onderstrepen. Schrijvend over het gebruik van het liefdesgebod in de discussie over aanvaardbaarheid van homoseksuele relaties verzucht hij: ‘Ten eerste zou je wensen en bidden dat de agape inderdaad zou gelden als principe dat al ons spreken over dit onderwerp kwalificeert’ . En vervolgens: ‘Veel hangt af van de vraag of het überhaupt mogelijk is om een kritische houding inzake de homoseksuele praxis te combineren met respect en inclusieve liefde. Want één ding is duidelijk: die combinatie is in het verleden geen gemakkelijke gebleken. Men wees mensen af in plaats van hun leefwijze; homoseksualiteit werd bestempeld als de ergste zonde die maar denkaar is; homoseksuelen werden gestigmatiseerd; evangelisten stelden goedkope en snelle genezingen van homoseksualiteit in het vooruitzicht; en tot op de dag van vandaag blijkt dat juist sommigen die homorelaties afkeuren op dit punt zelf een probleem hebben…Discriminatie en een op de bijbel gebaseerde afwijzing van homorelaties hebben vaak een onheilig span gevormd...Want wie erop wijst dat seksuele relaties zich in Oude en Nieuwe Testament alleen afspelen binnen het huwelijk tussen man en vrouw, zal op basis van diezelfde Schrift weten dat de agape elke vorm van stigmatisering en zelfgenoegzaamheid afkeurt’ .
Het blijft een schandvlek in de geschiedenis van de kerk dat mensen in naam van God ter dood zijn gebracht om al dan niet gerechtvaardigde vermoedens van seksueel afwijkend gedrag. De vervolging van zogenaamde ‘sodomieten’ (bedoeld werden met deze term mensen die gelijkgeslachtelijke omgang bedreven, waarbij overigens lesbiennes meestal niet in beeld waren), is gelegitimeerd met een klakkeloos beroep op teksten uit het O.T. De benaming ‘sodomiet’ is uiteraard afgeleid van het verhaal uit Genesis 19 over de afschuwelijke taferelen die zich in de stad Sodom afspeelden ten tijde van Abraham en Lot. In de jaren 1730 en 1731 vond in Nederland een grote sodomietenvervolging plaats, mede vanuit de angst dat verder onheil het land zou treffen wanneer tegen dit crimen nefandum niet werd ingegrepen. Het zou de Nederlanden kunnen vergaan als Sodom en Gomorra weleer. Verscheidene executies werden, meestal in het verborgene, maar ook wel ter afschrikking in het openbaar, voltrokken. Ten aanzien van sodomieten uit vooraanstaande kringen werd echter volstaan met verbanning uit de stad. Over klassejustitie gesproken!
Bij dit beroep op Genesis 19 werd er volstrekt aan voorbij gezien dat de mannen van Sodom personen waren wier seksuele voorkeur niet exclusief aan een bepaald geslacht gebonden was en dat zij geen gelijkgeslachtelijke omgang met wederzijdse instemming beoogden, maar verkrachting, ‘een daad die in elke zichzelf respecterende gemeenschap als volstrekt verwerpelijk wordt beschouwd’ .
Men wees mensen af. En het gaat toch om mensen. Hoe vaak is dit niet volstrekt uit het oog verloren in allerlei verhitte discussies die zelfs tot kerkscheuringen aanleiding hebben gegeven. Hoe pijnlijk moet bijvoorbeeld in de tijd dat de Hersteld Hervormde Kerk ontstond het spreken van sommigen over de PKN als ‘die homo-kerk’ niet zijn geweest voor de broeders en zusters onder ons die biddend worstelen met de vraag hoe ze verantwoord kunnen omgaan met hun homofiele geaardheid. Ik ben heel blij met het initiatief dat de HGJB heeft genomen om een focus te richten op de pastorale zorg voor homofiele jongeren. Ik denk dat het voor alle pastores en aanstaande dominees van groot belang is om de door de HGJB uitgegeven Handreiking voor gesprek met homoseksuele jongeren nauwlettend te lezen en te verwerken met het oog op de pastorale praktijk . Terecht wordt daarin gesteld dat de betreffende jongeren niet in de eerste plaats aan de pastor vragen: ’Hoe denkt u over homoseksualiteit?’ Hun behoefte is veelmeer: ‘Laat me merken dat u naast me wilt staan in mij strijd en in mijn zoektocht’.
Het gaat in het gesprek over homoseksualiteit ten principale om meer dan een hermeneutische en ook om meer dan een morele discussie. Mensen met homoseksuele gevoelens worden in een louter morele discussie gereduceerd tot personen over wie je een mening moet hebben. Het gaat louter om standpunten, terwijl de mensen uit het oog worden verloren. In de Handreiking wordt de uitspraak geciteerd: ’Homoseksualiteit krijgt de aandacht die het niet verdient, de homo verdient de aandacht die hij niet krijgt’. In dezelfde lijn bewegen zich de artikelen van H.G. de Graaff in een tweetal recente nummers van de Waarheidsvriend. De pastorale begeleiding zoals door hem beschreven, is erop gericht vanuit een liefdevolle nabijheid jongeren, maar ook ouderen die homofiel zijn, duidelijk te laten zien dat Gods geboden heilzaam zijn. Gods richtlijnen zijn altijd richtlijnen ten leven en nooit bedoeld om het leven af te knijpen . In pastoraat aan homofiele gemeenteleden gaat het om ‘nabij zijn in kwetsbaarheid’ . Deze vorm van pastoraat is in orthodox - protestantse kring nog te schaars. Het afstudeeronderzoek van Tilly den Boer bij de Christelijke Hogeschool Ede heeft dit recent bevestigd. Haar stelling luidt: ‘Morele standpunten rondom homofilie lijken het pastoraat aan homofiele gemeenteleden binnen de reformatorische traditie negatief te beïnvloeden’ . Het is een verontrustend signaal wanneer uit haar veldonderzoek blijkt: ‘Een aanzienlijke groep homofiele gemeenteleden houdt hun homofiele identiteit voor de kerk verborgen. In kerken waar homoseksualiteit als zonde wordt gezien, is deze groep het meest onzichtbaar’ en ‘Een deel van de homofiele gemeenteleden heeft geen behoefte aan pastorale begeleiding. Verwachtingen met betrekking tot de afwijzing van hun levenswijze, confrontatie met ongegronde vermoedens, angst voor veroordeling, het taboe en het vermoeden een bepaalde kant op gestuurd te zullen worden, spelen hierbij een rol’ .
We gaan met elkaar nadenken over specifiek hermeneutische vragen rond homoseksualiteit. Ik acht echter het tot nu toe gezegde van betekenis als noodzakelijke prolegomena, opdat we de homoseksuele mens in het oog houden en alleen in bescheidenheid, bewogenheid en betrokkenheid spreken over de vragen die hier in geding zijn.
2. De onvermijdelijke hermeneutiek
We kunnen in het korte bestek van deze lezing niet de hele staalkaart van hermeneutisch - exegetische opvattingen rond homoseksualiteit bespreken. Een goede handreiking om het veld in vogelvlucht te overzien, biedt de in 1984 door de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk uitgebrachte gespreksnota Verwarring en herkenning . In deze nota treffen we een hoofdstuk aan ‘Luisterend naar de teksten - in gesprek met elkaar’. Hier komen zeven teksten die expliciet over homoseksualiteit spreken aan de orde: Genesis 19, Leviti¬cus 18: 22 en 20: 13; Rich¬teren 19: 22 - 26; Ro¬meinen 1: 26, 27; 1 Korinthe 6: 9, 10; 1 Timotheüs 1: 3 – 11.
Bij de bespreking in de werkgroep die de nota heeft samengesteld, kreeg eerst de exegetische vraag aandacht (wat staat er nu eigenlijk?), vervolgens de bijbels - theologische vraag (in welke bijbelse context staan deze bepaalde teksten?) en tenslotte de hermeneutische vraag (de vraag naar de vertolking en toepassing in onze eigen tijd en situatie, dus ‘wat doen we ermee?’). Er is een toespitsing gemaakt naar de ‘hardste’ teksten, Leviticus 18: 22 en 20: 13
En gij zult geen gemeenschap hebben met een, die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het.
Een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw - beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.
Wat is de betekenis van deze woorden voor mensen vandaag? In de werkgroep waren zeven antwoorden op die vraag te onderscheiden. De eerste twee antwoorden komen overeen met het klassieke christelijke benadering van homoseksualiteit. De overig vijf leiden tot een pleidooi voor een nieuwe benadering.
(1) De exegese maakt duidelijk dat homoseksuele contacten hoe dan ook als een ‘gruwel’ worden bestempeld en ten strengste verboden. Nu staat elke tekst in het grote geheel van de totale openbaring in de Heilige Schrift. Het blijkt dat nergens in OT of NT een ontwikkeling naar een meer positieve benadering van homoseksueel verkeer aanwijsbaar is. Het is van belang hierbij ook de scheppingsordening van Genesis 1 en 2 te betrekken. Man en vrouw schiep God mens, met het gebod de aarde te bevolken. Zo was het zeer goed, bantwoordend aan Gods bedoeling. Zo blijft de in Lev.18 en 20 gegeven norm nog onverkort geldig tot op heden. De Schrift biedt geen opening tot aanvaarding van homoseksuele contacten, ook niet in noodsituaties. Hierin brengt ook een beroep op het grote gebod van de liefde geen verandering. De liefde is pas bijbelse agape als zij zich door de in de Schrift gegeven geboden wil laten normeren.
(2) Zeker moet iedere christen ‘door de huiver van Leviticus heengaan’. Maar het geeft te denken dat niemand een letterlijke toepassing van de doodstraf op homoseksuele praktijk volgens Lev. 20: 13 voorstaat. Dat zegt ons dat we voorzichtig meten zijn met een beroep op de letter van deze bepaling uit de Tora. We vinden in het tekstverband ook bepalingen die in de kerk altijd verschillend gewaardeerd zijn, denk bijv. aan 18: 19 waar seksuele gemeenschap met een menstruerende vrouw wordt verboden. Dat lijkt toch meer cultureel bepaald. De normatieve kern is dat je met seksualiteit niet alle kanten op kunt en dat ten aanzien van homoseksuele praktijken het sein op rood staat. Er zijn geen andere schriftgegevens die dit ontkrachten.
(3) In het kader van de Heiligheidswet gaat het erom dat Gods heiligheid wordt erkend en dat aan mensen recht wordt gedaan. Vandaag betekenen deze teksten: ’Je mag geen seks hebben met iemand die daarmee niet zelf tot zijn recht komt en ook niet op een manier waarop je jezelf geweld aandoet’.
(4) Het gaat om de orde van de schepping, om de eerbied voor wat de Schepper bedoelde. Scheppen is scheiden, tussen licht en duisternis, tussen land en zee, tussen man en vrouw. Daarom een verbod tegen de geschapen natuur in te handelen. Maar tussen de tekst en nu ligt een geschiedenis. Inmiddels is het inzicht gegroeid dat homoseksualiteit geen afwijking, geen perversie is, maar een variant in de veelkleurigheid van menselijke gevoelens en belevingen. In dat licht wordt het juist tegennatuurlijk om mensen die homoseksueel zijn te verbieden om als man van een man, als vrouw van een vrouw te houden.
(5) Het bijbelse verbod van homoseksualiteit moet vooral gezien worden vanuit de zware nadruk op de voorplanting. Zo was homoseksualiteit een bedreiging voor het voortbestaan en de groei van Israel. Daarnaast was er de afweer van tempelprostitutie om vruchtbaarheid af te dwingen. Gelet op die verbanden hebben deze woorden uit Leviticus nauwelijks betekenis voor de actualiteit en zeker niet voor een morele beoordeling van huidige vormen van homoseksualiteit.
(6) De blijvende actualiteit en geldigheid van deze teksten ligt in de waarschuwing tegen de seksualisering van het leven. Afgewezen wordt de seksualiteit als macht, als instrument om het leven te beheersen. Seksualiteit is immers juist bedoeld als een geschenk dat de relatie tussen mensen tot iets vreugdevols kan maken. Zo’n vreugdevolle relatie kan ook een homofiele relatie zijn.
(7) We moeten onderscheiden tussen hoofdzaken en bijzaken. Hoofdzaak is hier het ‘gij geheel anders’ t.o.v. de heidense bewoners van Egypte of Kanaän. We dienen de voorschriften ernstig nemen in het kader van de vrijheid die in Christus gegeven is, vgl. Hand. 15. ‘Mozes wil van onze bloedworst niet eten en geen vriendenpaar te logeren hebben. Paulus eet, nog wat onwennig, en moeilijk slikkend, van onze haaskarbonades mee. Zal Aäron tenslotte nog het samenleven van vrienden en vriendinnen zegenen met de woorden van Numeri 6: 22- 27? Het is aan de “Heilige Geest en ons” om het daarover eens te worden’.
Bij deze zo verschillende benaderingen spelen uiteraard hermeneutische vooronderstellingen van waaruit de Bijbel benaderd wordt, een grote rol. Over die ‘leesbrillen’ moet in de gemeente een gesprek mogelijk zijn. In de werkgroep werden elkaar de volgende vragen gesteld:
a. Geeft de Bijbel één blijvend normatieve visie ten aanzien van seksualiteit?
Hier is van belang of wordt uitgegaan van de blijvende geldigheid van het huwelijk als scheppingsorde. Bedoelt God van meet af aan de exclusieve verbondenheid van één man en één vrouw of is het zo dat de ’verhaallogica’ van Genesis 1 en 2 er nu eenmaal om vraagt dat het menselijk geslacht met een man en een vrouw begint? En is de tekst daarin cultureel bepaald dat heteroseksualiteit vanzelfsprekend wordt verondersteld en homoseksualiteit niet als alternatief bekend is? Achter deze twee visies liggen uiteraard verschillende overtuigingen t.a.v. de aard van het schriftgezag.
b. Kunnen er momenten komen waarop we in de gemeente met een beroep op het ene grote liefdegebod concrete en gedetailleerde voorschriften terzijde mogen schuiven?
Sommigen zeggen ‘ja’, mits dat maar gebeurt vanuit het hart van het kerygma, de verkondiging van Gods bevrijdende liefde in Christus. Het gaat immers om de heelheid van de mens. Concrete geboden zijn eens gegeven om heilzaam voor de mens in een bepaalde situatie te fungeren. Wanneer ze in een andere situatie juist niet meer de vrijheid en humaniteit dienen, kunnen we ze negeren.
Anderen zeggen echter dat er een bijbels houvast moet zijn om ethische teksten terzijde te kunnen schuiven. Dan geeft de Schrift dus zelf aan dat die concrete voorschriften achterhaald zijn door de heilsgeschiedenis of dat ze samenhangen met wisselende cultuurvormen.
c. Wordt er aan het gezag van de Schrift getornd, wanneer we bepaalde geboden wél letterlijk laten gelden en andere niet?
Neen, zeggen sommigen, als het criterium maar goed is: Het grote verhaal dat ons inspireert om in onze eigen tijd en situatie de geboden te vertalen en naar nieuwe wegen te zoeken.
Ja, zeggen anderen, pas er voor op met een beroep op het liefdegebod de concrete gehoorzaamheid te frustreren.
d. Moeten het per se schriftwoorden zijn die ons over de drempel helpen om homoseksuele contacten niet langer als zondig te zien?
Ja, zegt de één, want menselijke ervaring mag niet heersen over Gods openbaring.
Neen, zegt de ander, want de ontmoeting met homoseksuelen of het gegeven van eigen homoseksualiteit dwingt ons tot een nieuwe bezinning op en omgang met de woorden van de bijbel.
Hiermee zijn wij medias in res. Er is geen stormvrije zone waar we veilig zouden zijn voor hermeneutisch geweld. Laat het duidelijk zijn dat niemand om de uitdaging van de hermeneutiek heen kan en dat ook geen christen dat zou moeten willen. Het verstaan van een boek of enig ander geschrift is een ontmoetingsproces tussen de tekst van de oorspronkelijke auteur en de huidige lezer in diens eigen context, waarbij vaak een hele interpretatiegeschiedenis en Wirkungsgeschichte van de betreffende tekst meespeelt, maar waarbij de lezer zich ook terdege rekenschap moet geven van de leesbrillen en daarmee gegeven inkleuringen en blinde vlekken die hij zelf meebrengt . Er is inderdaad altijd een wissel¬wer¬king tussen ons bijbel¬lezen en het interpretatieve systeem dat wij als lezers al dan niet bewust en bere¬deneerd hanteren. Er is geen ‘bijbelge¬trouwheid’ in de zin van puur objec¬tieve omgang met de Schrift. Elk beroep op de Schrift hangt samen met de rasters en de kaders, zeg maar de leesbrillen, van degene die dat beroep doet. In gepaste bescheidenheid dienen we ons daarvan bewust te zijn en telkens de vraag te stellen of wij werkelijk verstaan wat wij lezen. Wie naïef verklaart ‘Ik lees het gewoon, onbevangen zoals het er staat’, maakt zich te gemakkelijk af van de uitdaging om de Schriften naar hun wezenlijke bedoeling te verstaan en kan op die manier gevaarlijke kortsluitingen maken in de toepassing van bijbelwoorden.
Ik kan hier aanknopen bij één van de vragen die het voorbereidend comité mij heeft voorgelegd. Deze vraag luidt: ’Welke rol spelen in uw lezing en uitleg van de Bijbel met het oog op het thema homoseksualiteit: (a) uw morele intuïties, (b) de traditie, (c) uw sociale en kerkelijke omgeving, (d) wetenschappelijke inzichten/hypothesen?, (e) ontmoetingen met mensen die homoseksueel zijn.’
Het is een persoonlijk gerichte vraag die mij ertoe dringt mij diepgaand rekenschap te geven van de ingewikkeldheid van het hermeneutisch proces. Alle genoemde factoren spelen een rol. Mijn morele intuïties zijn van jongs af zodanig gevormd dat ik vreemd sta tegenover het verschijnsel homoseksualiteit. Tegelijkertijd is mij meegegeven dat naastenliefde het grote gebod is en dat dit alle mensen geldt. De traditie waarin ik ben geboren en getogen gaat uit van de unieke plaats van het huwelijk en bindt de beleving van seksualiteit daar ook aan. Mijn sociale en kerkelijke omgeving bevestigt dit beeld. Zou ik bijvoorbeeld komen tot een ander opvatting inzake homoseksuele relaties, dan zou dit zeer vervreemdend werken in eigen gemeente en in de kerkelijke kring waarin ik mij thuis voel. Tegelijkertijd zou er positief op gereageerd worden vanuit de breedte van de Protestantse Kerk in Nederland. Deze drie aspecten betekenen voor mij dat ik extra alert moet zijn op blikvernauwingen bij het kennis nemen van andere visies op homoseksualiteit dan de mij vertrouwde opvatting. Verder is het zo dat ik door enige kennis van inzichten en hypothesen rond homoseksualiteit ervan uitga dat homoseksuele gevoelens en dito gedrag over het algemeen niet op een willekeurige keuze van de persoon zelf berusten, maar hetzij genetisch, hetzij vanuit de vroege ontwikkeling van die persoon bepaald zijn. Dit inzicht speelt mee bij mijn weging van bepaalde Bijbelteksten. Dat geldt zeker ook van de existentiële ontmoeting en pastorale begeleiding van mensen die homofiel zijn en op mijn weg zijn gekomen. Daardoor kom ik van binnenuit in opstand tegen generaliserende en harde oordelen over homoseksualiteit.
Aandacht voor hermeneutiek staat niet per se op gespannen voet met de erkenning van het unieke gezag van de Schrift als Woord Gods. Het Woord van God is immers ingegaan in bepaalde culturen. Het komt er op aan in de teksten de constante elementen, die Gods blij¬vende ordening aangeven, te onderscheiden van de variabelen, die met de veranderende culturele setting samen hangen.
3. De klassiek - christelijke visie onder reconstructie
De klassiek- christelijke visie, zoals die nog altijd wordt aangehangen door de rooms - katholieke kerk, de oosters - orthodoxe kerken en rechtzinnige protestanten van reformatorische of evangelicale snit, is vandaag de dag onder reconstructie. Er is echter nog geen sprake van een consensus hoever die reconstructie mag gaan.
Ik wil beklemtonen dat in deze klassieke benadering van homoseksualiteit niet de teksten die specifiek over homoseksuele handelingen gaan centraal staan, maar veleer de genoemde teksten over het huwelijk in het licht van de schepping en de verlossing. Alle Bijbelteksten moeten worden betrokken op de centrale boodschap van God liefde en zijn koninkrijk. Dan blijkt het ene bijbelse gegeven dichter bij het centrum te staan dan het andere. Elk concrete gebod moet worden geïnterpreteerd binnen het kader van Gods heilsbedoelingen. Het moet als het ware aan de voet van het kruis worden gebracht en in het licht van Pasen worden geplaatst. Meestal is in de klassieke benadering erkend dat de verschillende bijbelse gegevens niet een gelijk soortelijk gewicht hebben, ook al hebben ze alle gezag. Er zijn nu eenmaal kernteksten naast meer perifere teksten. Waar dit inzicht binnen de christelijke traditie ontbrak en men eenzijdig van losse Bijbelteksten uitging, leidde dit tot vreselijke ontsporingen zoals boven aangegeven.
Vanaf 1960 ontstaat binnen de Nederlandse kerken twijfel aan de traditionele visie . Rond 1980 heeft zich in de samenleving een invloedrijke moderne visie gevormd die homoseksualiteit ziet als een normale variant van menselijke seksualiteit, zoals bijvoorbeeld linkshandigheid een variant is naast rechtshandigheid. De kerk ziet zich met deze nieuwe benadering geconfronteerd en moet daarop theologisch en pastoraal reageren. Wanneer de homoseksuele oriëntatie inderdaad natuurlijk en normaal is, moet de kerk voortaan rekening houden met dit nieuw verworden inzicht bij haar bijbeluitleg, ethiek, pastoraat en de bejegening van homo’s in het algemeen.
Visie van C. Houtman
Cees Houtman, emeritus- hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit te Kampen (nu PThU, vestiging Kampen) heeft een boeiend en inhoudrijk boek geschreven als neerslag van zijn jarenlange wetenschappelijke bestudering van het Oude Testament en de uitleg daarvan. In dit boek gaat hij ook in op de vraag of christenen terug zouden moeten naar de Sinaï en of oudtestamentische verhalen en voorschriften kunnen fungeren als bronnen van de moraal. Hij is daar zeer kritisch en terughoudend in. Het verhaal van de ondergang van Sodom en Gomorra bijvoorbeeld is volgens hem van geen betekenis in de hedendaagse vragen rond homoseksualiteit. Hetzelfde geldt voor Deut. 23: 17 dat cultische prostitutie tot thema heeft. Lev.18: 22; 20: 13 acht hij wel van andere orde. Daar betreft het voorschriften gericht tegen seksuele gemeenschap van een man met een man op de wijze waarop men gemeenschap heeft met een vrouw. Op dat vergrijp staat de doodstraf. Deze verzen uit Leviticus hebben betrekking op mannen die het ‘doen’ met zowel mannen als vrouwen, en niet op mensen van hetzelfde geslacht die met elkaar in een duurzame relatie leven. Volgens Houtman was dat laatste type ‘wel zeker onbekend’. Achter het voorschrift van Lev.18 en 20 gaat ‘waarschijnlijk de idee schuil dat gelijkgeslachtelijke gemeenschap uit den boze is, omdat het niet op voortplanting is gericht en verspilling van zaad impliceert, terwijl de achtergrond meer in het algemeen bepaald is door de zorg voor het behoud van de voor de schepping kenmerkende tweepoligheid en differentiatie, dankzij welke al het bestaande is en voortbestaat. Zij veronderstelt de noodzaak van de instandhouding van de grenzen tussen de soorten in de schepping en de angst dat de vervaging of het uitwissen ervan de continuïteit van de bestaande orde bedreigt en de chaos zal oproepen’ . Zo staan deze teksten op één lijn met andere voorschriften in het tekstverband die gericht zijn tegen ongewenste verbindingen, tegen bestialiteit, tegen het paren van vee van verschillende soort, het mengen van zaad en het dragen van kleding gemaakt van verschillende stof, ’het soort voorschriften dat niet gekend wordt of in elk geval niet nageleefd wordt door hen die wel Lev.18: 22; 20: 13 zeer serieus willen nemen met uitzondering van de in Lev. 20: 13 vervatte sanctie’ .
Exegetisch komt Houtman tot de conclusie dat seksuele gemeenschap tussen mannen, ook als die met wederzijdse instemming plaatsvond, volgens het OT behoort tot de verwerpelijke seksuele aberraties. In het NT is er geen sprake van een nieuwe visie op het oudtestamentische voorschrift, zoals dat bijv. ten aanzien van de sabbat en overspel wél het geval is. Een aantal passages uit de brieven van Paulus (Rom.1: 26v.; 1 Kor.6: 9v; 1 Tim.1: 9v) rangschikken homoseksuele handelingen expliciet onder verwerpelijk gedrag. Uitspraken van Jezus zelf over homoseksualiteit ontbreken in het NT. Houtman relativeert Paulus’ kwalificatie ‘tegennaturlijk’ in Rom.1 met een verwijzing naar 1 Kor.11;14, waar de apostel zich ook beroept op de natuur met betrekking tot de haardracht van mannen en vrouwen. Wanneer men het oordeel van Paulus daar niet serieus pleegt te nemen, waarom dan wel in Rom.1? Klaarblijkelijk kende Paulus homoseksualiteit slechts in perverse gestalte. Daarom viel het buiten zijn gezichtsveld dat tot de verschillen die naar het woord van Gal.3: 28 ‘in Christus’ zijn weggevallen, ook dat tussen hetero - en homoseksualiteit behoort.
Houtman kiest ervoor de discussie aan te gaan over het normatieve karakter van de genoemde tekstgedeelten en ‘tegen liefdeloos wetticisme in naar nieuwe wegen van verstaan te zoeken, in het vertrouwen op de voortgaande leiding van de Heilige Geest ‘ . Immers, de echte Sodomieten, de mensen door wier toedoen de chaos dreigt los te barsten, zijn de rechtsverkrachters (vgl. Ez.16: 49v.). ‘Zoals christenen gewoonlijk geen respect hebben voor oudtestamentische instituties zoals het “zwagerhuwelijk” (Deut. 25: 5 – 10), of voor de uitvoering van lijfstraffen, zoals het afkappen van een hand (Deut. 25: 12), en zoals zij er ook niet voor te porren zijn hun rebelse kinderen te laten executeren( Deut. 21: 18- 21), zo kunnen zij de voorschriften uit Leviticus over homoseksualiteit ook maar beter een plaats geven te midden van de vele gedeelten van het OT, die door middel van uitleg verstaanbaar gemaakt kunnen worden en verder maar beter bijgezet kunnen worden onder de religieuze antiquiteiten in “het museum der geschiedenis” ’ .
Nog een stap verder: Laten we de voorschriften uit het OT waarin een barmhartige en rechtvaardige behandeling word gevraagd voor de achtergestelden in de samenleving actualiseren door ze samen met het oudtestamentische liefdesgebod (Lev.19: 18 ) op de homoseksuele mens te betrekken.
Volgens Houtman keert de Schrift zich tegen fossilisatie van de moraal. Ook behoudende protestanten ontkomen niet aan actualisering van de voorschriften van het OT. Dat is, zo luidt en grondthese van zijn boek, in overeenstemming met de wijze waarop de Schrift zelf voortdurend wordt herschreven en er telkens sprake is van stem en tegenstem. ‘Via de mond van de profeten laat God zich in een andere gestalte kennen dan via de wet.’ Christenen moeten zich afvragen of zij wel het recht hebben ‘om een bepaalde stem uit het OT, ongeacht de historische situatie waarin zij tot klinken werd gebracht, als direct normatief te beschouwen en aan haar exclusief goddelijk gezag te verlenen en haar, ten bate van zichzelf en ten koste van anderen, van toepassing te verklaren op hun situatie of dat zij in het licht van nieuwtestamentische teksten als Gal.3: 28; Kol.3: 11 op zijn minst niet gehouden zijn die ene stem te relativeren en ook gehoor te geven aan die andere stem met de eschatologische grondtoon van eenheid en harmonie’ .
Houtman komt tot de volgende fundamentele hermeneutische stellingname:
’Een juist exegese behoeft niet samen te vallen met een juist gebruik. De kwestie waar het om gaat is of een visie die ooit in een bepaalde tijd in het verre verleden als Woord van God gekwalificeerd mocht worden, in een nieuwe tijd en een andere context die kwalificatie op absolute wijze ook mag dragen. Schriftbeschouwing en Schriftgebruik zijn in het geding’ . Er vindt in de Schrift immers een voortdurende actualisatie en interpretatie van eens gegeven voorschriften plaats. De moraalvorming blijkt een onafgesloten proces te zijn. Al naar gelang de nieuwe historische omstandigheden daartoe uitnodigden, werden de oude voorschriften in nieuwe, meer op de gewijzigde situatie toegesneden gestalte gepresenteerd of er werden ook wel geheel nieuwe voorschriften geformuleerd. Zo groeide ‘de wet van Mozes’ door de eeuwen heen. Het Woord is blijvend in beweging. ‘Interpretaties worden gecanoniseerd om vervolgens toch weer opnieuw voorwerp van toetsing en beoordeling en nieuwe interpretatie te worden. Canonisatie betekent nimmer het einde van het proces van aanvulling en herziening….De Heer wordt getekend als degene die ruimte biedt voor actualisatie en nieuwe interpretatie, voor een proces dat zich door het OT heen doorzet in het NT (bijv. Mat. 5 - 7; Joh. 8: 3 - 11; Hand.15: 1 - 21) en uiteindelijk de grenzen van de canon doorbreekt.’ En dan volgt er opnieuw een fundamentele uitspraak van hermeneutische aard:
’In het voetspoor van Jezus en de apostelen mogen hun geestelijke erfgenamen, de wereldwijde christelijke kerk, de stap wagen in het proces van actualisatie en nieuw interpretatie en zich stellen in de door de Schrift gegeven ruimte om, vrij van krampachtig vasthouden aan antwoorden die afgedaan hebben, in verbondenheid met en in dialoog met het erfgoed en andere erfgenamen van de Schrift, de uitdaging aan te gaan gestalte te geven aan bijdetijdse normen en regels. De Schrift schept ruimte voor het nieuwe en keert zich tegen fossilisatie van de moraal. De God van de Bijbel houdt namelijk rekening met de tijd, de plaats en de omstandigheden van hen die hem zijn toegewijd.’
Wie daarentegen de Schrift als orakelboek hanteert, gevuld met absolute, voor alle tijden geldende goddelijke waarheden, bedrijft afgoderij met de Schrift. Er is geen ander Woord dan een geïncarneerd Woord, tijdelijk, onvolmaakt, beperkt en delend in het typisch menselijke en daarom altijd vatbaar voor herziening en verbetering, wanneer nieuwe situaties zich voordoen en nieuwe inzichten groeien.
De klassiek - christelijke visie op homoseksualiteit geamendeerd
Ik wil nu komen tot een eigen standpuntbepaling, die ik in alle bescheidenheid zie als een geamendeerde klassiek - christelijke benadering. Om te beginnen enkele kritische opmerkingen bij de gereleveerde visies van Dekker, Loonstra en Houtman.
In mijn evaluatie van de posities van Dekker en Loonstra sluit ik mij graag aan bij de reactie die C. Graafland indertijd op de visie van W. Dekker heeft gegeven. Hij ziet als bezwaar dat Dekker ter wille van Genesis 2: 18 de tekst Genesis 1: 27 laat vallen. In werkelijkheid is echter ‘niet alleen het geschapen zijn naar Gods beeld, maar ook de uitspraak, dat het niet goed is, dat de mens alleen is, in Genesis direct verbonden met het man en vrouw zijn van de mens en de eenheid tussen deze twee. Het relationele van het mens-zijn wordt hier dus niet als een antropologisch abstrac¬tum op zichzelf geplaatst, maar verbonden met het man en vrouw zijn van de mens" . Dit lijkt mij en kerngegeven waar ook Boer in zijn aangehaald artikel op wijst. Boer zegt het zo: ‘Volgens mij zijn Schrift en traditie ondubbelzinnig in de lofzang op het huwelijk als de plek waar liefde, seks en procreatie samenkomen en in hun afwijzing van seks die zich buiten die beschermde ruimte afspeelt.’ Hierbij gaat het ook om de polariteit tussen man en vrouw die niet kan worden vervangen door een man – man of vrouw- vrouw relatie. Deze polariteit is een grondgegeven in de bijbelse antropologie. ‘Om te kunnen spreken van een huwelijk behoeven liefde en trouw aanvulling in de vorm van polariteit van man en vrouw, inclusief de openheid voor de mogelijkheid tot procreatie die met die polariteit (en met de in haar vervatte complementariteit) is gegeven.’
Graafland stelt de vraag of het niet de consequentie van de redene¬ring van Dekker is dat ook de noodgedwon¬gen alleenstaande hétero¬fiele mens zijn of haar indivi¬duele be¬geer¬ten zou moeten kunnen verwezen¬lijken in een niet- huwelijkse relatie? Tenslotte wijst Graafland er op dat de consistente boodschap van Gods heil allerlei tijdge¬bon¬den cultuur¬beelden overstijgt en tegelijk beheerst. Het bijbelse mens¬beeld is consis¬tent door allerlei culturele omslagen heen. Wanneer de Bijbel zelf geen verschuivingen laat zien in de beoor¬deling van homoseksualiteit, dan blijkt daaruit dat het in wat de Schrift hierover zegt niet om een culturele context gaat, maar om continue, blijvende scheppings¬gegevens. De conclusie van Graafland luidt: ‘Menselijk gevoeld, zou ik dolgraag willen, dat de Bijbel mij de mogelijk¬heid zou geven om de homosexuele relatie te legitime¬ren. Maar voor zover ik het zien kan, is dat niet zo’ .
Het moge duidelijk zijn dat de visie van Houtman belangrijke stappen verder gaat dan de benadering die we bij Dekker en Loonstra aantroffen. Ik denk dat de kritiek van P.de Vries terecht is dat bij Houtman de grens tussen uitleg en toepassing vervaagt waar hij spreekt over de Schrift als een ‘open domein’ dat door iedereen geactualiseerd mag worden. Het is zeker terecht wanneer Houtman benadrukt dat er in de Schrift zelf allerlei processen van herinterpretatie en actualisatie plaatsvinden. Maar dat betekent nog niet dat christenen na afsluiting van de canon op dezelfde wijze mogen voortgaan met herinterpreteren en actualiseren, alsof de Schrift niet een unieke normatieve gestalte vertegenwoordigd waaraan de voortgaande morele bezinning van de gelovigen zich dient te normeren. ‘In Houtmans benadering ontbreekt de overtuiging dat de Bijbel de stem van God is, waarin God niet alleen zichzelf, maar ook waarheden over zichzelf, zijn relatie tot de wereld en de mens en zijn handelen met de wereld en de mens openbaart’ . We mogen mijns inziens niet zo gemakkelijk afstand nemen van de letter van de Schrift met een beroep op de voortgaande leiding van de Heilige Geest. De Geest schrijft zeker wegen in de tijd, waarbij Hij historische en culturele ontwikkelingen kan gebruiken om de bijbel¬lezer de ogen te openen voor mogelijkheden van uitleg en toepassing waaraan vorige generaties nooit hebben gedacht. Zo is er voortgang van de openbaring: Steeds nieuwe schatten en inzichten worden geput uit de schatkamer van de Schrift, juist waar het Woord in contact wordt gebracht met de eigentijdse werkelijkheid. Verrassend ervaren we dat de Geest in het Woord ook op de 21e eeuw heeft gerekend. Ook in de eigentijdse vragen, problemen waar onze voorouders geen flauw vermoeden hadden, geeft het Woord ons leiding, wanneer wij maar spoorzoeken in biddend opzien tot de Heilige Geest. De grote vraag blijft echter: Mag je met een beroep op de Geest stappen doen die je vanuit het Woord niet kunt legitimeren? Deze tweesprong doet zich in de vragen rond homoseksuele relaties duidelijk voor: Moe¬ten we inderdaad zeggen dat de Geest ruimte schept buiten de door het Woord expliciet of in elk geval impliciet gegeven mogelijkheden? Of moeten we juist be¬ducht zijn voor een beroep op de Geest dat ons afleidt van de ge¬hoorzame onder¬werping aan het Woord?
Naast deze kritische punten is er bij mij zeker waardering voor wat de genoemde auteurs naar voren brengen. Verschillende aspecten uit hun betoog mogen we niet uit het oog verliezen en dienen we te verdisconteren in een eigentijdse gereformeerde hermeneutisch - exegetische benadering van de vragen rond homoseksualiteit. Om een voorbeeld te noemen: C. Houtman stelt terecht dat de Bijbel nergens afzonderlijke aan¬dacht heeft voor het verschijnsel homoseksualiteit. Er wordt nergens thematisch ingegaan op vragen als: ‘Hoe is dit verschijnsel te verklaren en hoe kun je er verantwoord mee omgaan?’ Het komt alleen ter sprake in samenhang met allerlei vormen van wetteloosheid, dus in uitgesproken negatieve zin. Ik verbind daaraan de conclusie dat wie een even¬wich¬tige en afgewogen bijbelse visie op homoseksualiteit wil ontwik¬ke¬len ener¬zijds niet om de expliciete teksten heen kan, maar daarbij toch zeker ook niet mag blij¬ven staan. Er is vanuit de kernen van het bijbels getuigenis gelukkig meer te zeggen aan homo¬fiele mede¬men¬sen dan alleen dat homoseksuele handelingen verboden zijn.
De aandacht voor de tijdbetrokkenheid of contextualiteit van de Bijbelwoorden bij Dekker is volkomen juist. Zo hangt het zeker samen met de cultu¬rele setting van het oude Israël dat er in delen van het OT meer tole¬ran¬tie is voor polygamie dan voor homo¬seksua¬liteit. Te¬gen die achter¬grond is het begrijpe¬lijk dat hedendaagse homo¬fie¬len die een relatie in liefde en trouw onderhouden, zeggen: ‘Die bijbelteksten gaan toch niet over ons? Wij kunnen ons daarin met geen mogelijkheid herkennen, wij kúnnen daarmee niet bedoeld zijn’. De ‘mannen die met mannen schandelijkheid bedrijven’ zijn best aanwijsbaar in de rose buurten van onze grote steden, in gezelschap trouwens van mensen die op heteroseksueel gebied tot alle mogelijke uitspattingen komen, maar zijn ze nu echt te identificeren met twee keurige en trouw kerkelijk meelevende mannen of vrouwen die al jarenlang in liefde en trouw samenwo¬nen? Het grote verschil tussen enerzijds homoseksueel gedrag binnen een levensverbintenis en anderzijds promiscuïteit, losbandig en verwilderd seksueel gedrag, moet expliciet worden erkend. Het mag niet zo zijn dat mensen die in een homoseksuele relatie leven als zondaars bij uitstek worden gezien en dat in vergelijking hiermee over bijvoorbeeld echtscheiding of heteroseksuele ontucht meer vergoelijkend wordt gedacht en gesproken.
Een volgend punt van belang is de kennis van eigen context. Wij weten dat er mensen zijn die een andere seksuele oriëntatie hebben dan de heteroseksuele meerderheid. Wellicht wisten de bijbelschrijvers dat niet, in elk geval gaan de concrete teksten niet over relaties in liefde en trouw. Het is de vraag of deze vorm van beleving van homoseksualiteit een novum is. Ik zou mij kunnen voorstellen dat in vroeger tijden vergelijkbare gestalten van homoseksualiteit bekend zijn geweest. In de Bijbel gaat het echter telkens over het puur driftmatig, losbandig en promiscue karakter van de beschreven homoseksuali¬teit. Daartegenover is er wel sprake van diepe en innige vriendschap tussen mannen, zon¬der seksuele component: de verhouding van David en Jonathan is hier het klassieke voor¬beeld.
Bij het licht van onze hedendaagse kennis van het verschijnsel homoseksualiteit is het niet verantwoord de homoseksuele oriëntatie als persoonlijke schuld te zien. Het is wel een symptoom van de gebrokenheid van de schepping of – nog meer toegespitst geformuleerd - een gevolg van de zondeval, ‘een creatuurlijke ontaarding’ (J. Douma). De bijbelse veroordeling van homoseksueel gedrag is in OT en NT zo consistent dat de homoseksuele oriëntatie niet kan worden gezien als een variant in de goede schepping. Daarom is zegening van een homoseksuele verbintenis af te wijzen als niet in overeenstemming met de bedoeling van de Schepper.
Een vraag waarmee we in de ethische en pastorale bezinning nog altijd worstelen is die naar de betekenis en waarde van het onderscheid tussen oriëntatie en gedrag. Is dit onderscheid niet kunstmatig en kunnen homoseksueel verlangen en dito gedrag wel losgemaakt worden van elkaar? Het deel van de traditionele woordvoerders dat ervan overtuigd is dat de homoseksuele oriëntatie in de meeste gevallen onveranderlijk is, acht het een te zwaar juk om ten allen tijde op te roepen tot seksuele onthouding. Hoewel zij homoseksualiteit niet willen verbinden met Gods goede schepping, maar er een blijk van de gebrokenheid van de schepping in zien, achten sommigen toch uit pastorale overwegingen het ‘noodverband’ van een homoseksuele relatie in liefde en trouw geoorloofd. Ik kan mij persoonlijk het meest vinden in de visie die de HGJB in de genoemde Handreiking verwoordt in het kader van een pleidooi om aan homoseksuelen ruimte te geven om er – voor Gods aangezicht - en ook binnen de gemeente te zijn zoals ze zijn. ‘Dat wil zeggen: ze hoeven hun homofiele gerichtheid niet te ontkennen of weg te stoppen omdat die niet zou mogen of kunnen bestaan. De vraag is dan natuurlijk welke ruimte er is voor de homofiele gerichtheid. De homofiele gerichtheid leidt tot homofiele gevoelens, die tot uiting komen in homoseksueel gedrag. Juist hier komt het echter aan op zorgvuldig formuleren. Seksuele gevoelens sluiten niet altijd of per definitie de begeerte in om met de ander naar bed te gaan – dat is bij homoseksualiteit niet anders dan bij heteroseksualiteit. Het kan óók gaan om gevoelens die je kunt typeren met “iemand aantrekkelijk vinden”, “houden van die ene persoon”, “je prettig voelen bij de ander”. Kortom seksuele gevoelens zijn alle gevoelens die horen bij de mens als seksueel wezen. Die gevoelens zijn niet per definitie goed, maar ook niet per definitie zondig - óók niet als het gaat om homofiele gevoelens.’
Acceptatie van de homo¬seksuele relatie blijft ook in de geamendeerde klassieke visie zoals die mij voor ogen staat een brug te ver. ¬Voor mij is het niet moge¬lijk te accep¬te¬ren dat homoseksuele relaties in de gebro¬ken¬heid van het leven als alterna¬tief voor het huwe¬lijk zouden mogen bestaan, nu God daarvoor in zijn Woord geen enkele aanwij¬zing heeft gege¬ven. De Schrift zwijgt hier in alle talen en dat moet een veelzeg¬gend zwijgen genoemd worden. Acceptatie van homo-relaties zal daarom dan ook niet echt heilzaam blijken te zijn voor degenen die het betreft. De vraag klemt intussen dan des te meer: Hoe dan wel? Welke be¬gaanbare weg is er voor de homo¬fiele mens? Wanneer Gods heilzaam gebod wegen afsluit, dan worden er toch altijd wegen geopend waarlangs onze voet veilig kan gaan? Zijn we in de verbondenheid met elkaar binnen de christelijke gemeente, in solidariteit met elkaar als zondaars voor Gods aangezicht, levend uit de verwondering om de genade van de rechtvaardiging van de goddeloze, bereid om samen die wegen te blijven zoeken?
Uitleiding
De bijbelse veroordeling van homoseksueel gedrag zou bedoeld zijn voor hetero’s die tegen hun eigen natuur ingaan. Deze veroordeling zou echter niet gelden voor mensen die volgens hun homoseksuele oriëntatie leven. Laatstgenoemden zouden juist veroordeeld worden wanneer ze, tégen hun natuur, heteroseksuele relaties aan zouden gaan. Kortom: de bijbelse veroordeling van homoseksueel gedrag zou niet gelden voor homo’s.
Daarnaast wordt betoogd dat de bijbelteksten in kwestie alleen zouden gaan over homoseksuele prostitutie in heidense heiligdommen, dus over cultische praktijken. Het verbod zou daarom slechts beperkte betekenis hebben gehad en als tijdgebonden terzijde kunnen worden geschoven. Ten aanzien van Romeinen 1 wordt gesteld dat Paulus nu eenmaal minder van homoseksualiteit wist dan wij. Als hij geweten zou hebben van stabiele homoseksuele twee- relaties in liefde en trouw, zou hij wel anders geschreven hebben.
Een volgende stap die door de meeste aanhangers van de moderne visie gezet wordt, is dat homoseksualiteit wordt gezien als een element van Gods goede schepping, een bijzondere vondst van de Schepper. Het gaat er niet alleen maar om dat homoseksuele relaties ‘normaal’ en ‘natuurlijk’ zijn, ze zijn bovendien ‘goed’ of liever nog: ‘goedgekeurd door God’ en verrijkend in het veelkleurige palet van menselijke mogelijkheden op relationeel terrein.
Door deze nieuwe exegeses en interpretaties kwam er ruimte voor aanvaarding van duurzame homoseksuele relaties in liefde en trouw als de juiste - ethisch verantwoorde - leefwijze voor homo’s. Gesteld wordt dan dat zo’n levensverbintenis net als het huwelijk het karakter heeft van een verbond in de zin waarin de Bijbel daarover spreekt (zo in de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk F.O.van Gennep, Mensen hebben mensen nodig, 1972, en ook In liefde trouw zijn, rapport van de toenmalige Gereformeerde Kerken in Nederland, 1983).
Laten we nu enkele benaderingen onder hedendaagse gereformeerde theologen die in mindere of meerdere mate openstaan voor de nieuwe visie wat nader bezien.
Liefde en trouw
Zo stelt W. Dekker bijvoorbeeld dat we inderdaad op grond van Gene¬sis 1: 27 en 2: 18 kunnen zeggen, met nu wijlen Jos Brink, 'Eenling is geenling' . Mensen zijn geschapen als relatio¬nele wezens. Genesis schildert ons hoe het verlangen van de man zijn vervulling vindt door de schepping van de vrouw. Nu is de schep¬ping echter gebro¬ken en in die gebro¬kenheid kan het een heilzame ordening zijn voor de homofiele mens dat hij als man of zij als vrouw in iemand van hetzelfde geslacht die gewenste en noodzakelijke vervul¬ling vindt. Ik citeer: ‘Het kan toch niet zo zijn dat homo¬fiele mensen zichzelf levens¬lang moeten ontken¬nen of als andere uiter¬ste: zelf maar moeten uit¬zoeken hoe ze met hun sexua¬liteit omgaan, waarbij alles geoor¬loofd is’ . Dekker komt op deze wijze tot acceptatie van de homo¬seksuele relatie in liefde en trouw en wel door middel van de volgen¬de hermeneutische stappen:
- de homofiele mens, zoals wij die kennen, komt in de Bijbel niet voor. De hedendaagse homofiel is een bepaald mensentype, dat zich bewust is van zijn individualiteit op een wijze die vóór de Verlichting niet mogelijk was;
- wanneer we dus van een collectief ingestelde cultuur zijn overgegaan in een individueel ingestelde cultuur, dan moet het Woord van God opnieuw gestalte aannemen in deze nieuwe setting. Er is dus een nieuw paradigma waarbinnen het Woord moet worden geïmplemen¬teerd;
- de vraag is dan: hoe kan het heilzame gebod van God inderdaad ook heilzaam worden voor deze mens en deze cultuur die in de Bijbel zo niet voorkomen?;
- promiscuïteit is ook voor homoseksuelen met beslistheid af te wijzen;
- maar we mogen niet stellen dat de homofiele medemens zijn gevoelens in deze maar moet onderdrukken, want dan vragen we van hem of haar iets wat van geen enkele heterofiel gevraagd wordt en wat ook een ontkenning van het mens - zijn op een uiterst vitaal punt betekent. Dat is vragen om ongelukken;
- de praktijk bewijst, nog altijd volgens Dekker, dat de weg van genezing van homofiele gerichtheid nog slechts voor zeer weinigen is weggelegd;
- de conclusie luidt dan: Ook voor homoseksuelen kan seksualiteit zich op zo natuurlijke en hu¬mane wijze ontwik¬ke¬len in samenhang met vriendschap, liefde en erotiek dat de scherpe teksten uit Leviticus daarop niet meer van toepassing zijn.
Wanneer we nu samenvattend analyseren welk hermeneutisch proces er bij Dekker - en mutatis mutandis bijvoorbeeld ook bij B. Loonstra - plaatsvindt,dan onderscheiden we de volgende elementen:
1. Het laten gelden van de autoriteit van de Schrift waarop de normatieve visie is gebaseerd dat mens - zijn vanuit de schepping als relationeel is bedoeld en dat de menselijke seksualiteit in dat kader van liefde en trouw tot zijn recht komt, vervolgens dat er door de zonde ook op het gebied van relaties en seksualiteit gebrokenheid heerst en dat promiscuïteit verwerpelijk is.
2. Het laten gelden van de tijdbetrokkenheid van de Schrift door de cultureel- historische situatie van het eens gegeven Schriftwoord in overweging te nemen. De bijbelwoorden zijn bedoeld om heilzame orde te brengen in het mensenleven. De concretisering in die bijbelwoorden is niet los te zien van een bepaalde culturele en antropologische context die verschilt van de onze. Het is daarom de uitdaging voor de christelijke ethiek om de bijbelwoorden zo te transponeren dat zij opnieuw heilzaam kunnen functioneren in een gewijzigde situatie.
Vervolgens is er de betekenis van de eigentijdse context. Het oog hebben voor de situatie en dus ook voor de mensen om wie het gaat, doet geen afbreuk aan de gehoorzaamheid aan het Woord van God maar is veeleer gestalte van een door de Heilige Geest geleerde horigheid in mondigheid, waarbij we onderscheiden waarop het werkelijk aankomt en zo in liefde de wet vervullen. liefde en trouw te onderbouwen. Zo stelt W. Dekker bijvoorbeeld dat we inderdaad op grond van Gene¬sis 1: 27 en 2: 18 kunnen zeggen, met nu wijlen Jos Brink, 'Eenling is geenling' . Mensen zijn geschapen als relatio¬nele wezens. Genesis schildert ons hoe het verlangen van de man zijn vervulling vindt door de schepping van de vrouw. Nu is de schep¬ping echter gebro¬ken en in die gebro¬kenheid kan het een heilzame ordening zijn voor de homofiele mens dat hij als man of zij als vrouw in iemand van hetzelfde geslacht die gewenste en noodzakelijke vervul¬ling vindt. Ik citeer: ‘Het kan toch niet zo zijn dat homo¬fiele mensen zichzelf levens¬lang moeten ontken¬nen of als andere uiter¬ste: zelf maar moeten uit¬zoeken hoe ze met hun sexua¬liteit omgaan, waarbij alles geoor¬loofd is’ . Dekker komt op deze wijze tot acceptatie van de homo¬seksuele relatie in liefde en trouw en wel door middel van de volgen¬de hermeneutische stappen:
- de homofiele mens, zoals wij die kennen, komt in de Bijbel niet voor. De hedendaagse homofiel is een bepaald mensentype, dat zich bewust is van zijn individualiteit op een wijze die vóór de Verlichting niet mogelijk was;
- wanneer we dus van een collectief ingestelde cultuur zijn overgegaan in een individueel ingestelde cultuur, dan moet het Woord van God opnieuw gestalte aannemen in deze nieuwe setting. Er is dus een nieuw paradigma waarbinnen het Woord moet worden geïmplemen¬teerd;
- de vraag is dan: hoe kan het heilzame gebod van God inderdaad ook heilzaam worden voor deze mens en deze cultuur die in de Bijbel zo niet voorkomen?;
- promiscuïteit is ook voor homoseksuelen met beslistheid af te wijzen;
- maar we mogen niet stellen dat de homofiele medemens zijn gevoelens in deze maar moet onderdrukken, want dan vragen we van hem of haar iets wat van geen enkele heterofiel gevraagd wordt en wat ook een ontkenning van het mens - zijn op een uiterst vitaal punt betekent. Dat is vragen om ongelukken;
- de praktijk bewijst, nog altijd volgens Dekker, dat de weg van genezing van homofiele gerichtheid nog slechts voor zeer weinigen is weggelegd;
- de conclusie luidt dan: Ook voor homoseksuelen kan seksualiteit zich op zo natuurlijke en hu¬mane wijze ontwik¬ke¬len in samenhang met vriendschap, liefde en erotiek dat de scherpe teksten uit Leviticus daarop niet meer van toepassing zijn.
Wanneer we nu samenvattend analyseren welk hermeneutisch proces er bij Dekker - en mutatis mutandis bijvoorbeeld ook bij B. Loonstra - plaatsvindt,dan onderscheiden we de volgende elementen:
3. Het laten gelden van de autoriteit van de Schrift waarop de normatieve visie is gebaseerd dat mens - zijn vanuit de schepping als relationeel is bedoeld en dat de menselijke seksualiteit in dat kader van liefde en trouw tot zijn recht komt, vervolgens dat er door de zonde ook op het gebied van relaties en seksualiteit gebrokenheid heerst en dat promiscuïteit verwerpelijk is.
4. Het laten gelden van de tijdbetrokkenheid van de Schrift door de cultureel- historische situatie van het eens gegeven Schriftwoord in overweging te nemen. De bijbelwoorden zijn bedoeld om heilzame orde te brengen in het mensenleven. De concretisering in die bijbelwoorden is niet los te zien van een bepaalde culturele en antropologische context die verschilt van de onze. Het is daarom de uitdaging voor de christelijke ethiek om de bijbelwoorden zo te transponeren dat zij opnieuw heilzaam kunnen functioneren in een gewijzigde situatie.
Vervolgens is er de betekenis van de eigentijdse context. Het oog hebben voor de situatie en dus ook voor de mensen om wie het gaat, doet geen afbreuk aan de gehoorzaamheid aan het Woord van God maar is veeleer gestalte van een door de Heilige Geest geleerde horigheid in mondigheid, waarbij we onderscheiden waarop het werkelijk aankomt en zo in liefde de wet vervullen.
De klassieke visie kan niet worden losgemaakt van de visie op seksualiteit als zodanig en, nog breder, de visie op mens-zijn in rela¬tie. Vanuit de bijbelse gegevens in Genesis 1 en 2, maar ook vanuit het onderwijs van Christus en de apostelen (kernteksten zijn Mattheüs 19: 4 - 9; Efeze 5: 22, 23), wordt de unici¬teit van het huwe¬lijk geleerd. God heeft de stroom van de seksua¬liteit willen leiden in de bedding van het huwe¬lijk, als levensom¬vat¬tende relatie van één man en één vrouw. Dit is kort gezegd het plan van God met seksualiteit . Wel zijn er onder Gods toela¬ting, niet onder Zijn goedkeuring, allerlei afwij¬kingen in Israël voorgekomen. Die toela¬ting ging zo ver dat er in de wetten van Mozes bepalingen zijn opgenomen die bigamie als gegeven veronderstellen zonder daarop enig negatief commentaar te leveren, en dat koning Salomo er een uitge¬breide harem op na mocht houden en dus in een polygame situatie leefde. In de oude oosterse cultuur was polygamie zozeer ingeburgerd dat ook Israël er niet vrij van bleef en dat dit verschijnsel, dat natuurlijk volstrekt strijdig is met Gods heilzame orde vanuit de schep¬ping, getolereerd werd. Tege¬lijkertijd is er geen spoor van tolerantie ten aanzien van homo¬seksuele praktijken. Zowel voor Mozes als voor Paulus zijn ze niet los te zien van afgoderij. Het is evident dat de Heilige Schrift geen ruimte laat voor homo¬sek¬sueel ge¬slachts¬ver¬keer . Om het zeggen met de woorden van P. Pronk, die zelf overigens radicaal voorstan¬der is van accepta¬tie van homosek¬sualiteit: ‘Samenvattend: de bijbel verbiedt overal waar deze ter sprake is homosexuele omgang. Daarbij voegt het Nieuwe Testament geen argumenten toe aan die van het Oude. De afwijzing is een uitgemaakte zaak: nergens vormt de beoorde¬ling een probleem. Deze moet kennelijk wel telkens worden her¬haald, maar het verschijnsel als zodanig staat nergens centraal in de morele aandacht. Het wordt nooit op zichzelf staand veroordeeld, maar steeds met centrale zonden in verband gebracht: ontucht, gewelddadigheid, moreel bederf en afgoderij’ .
Prof. dr. J. Hoek