„Homofielen hebben openheid nodig”

DRACHTEN - Predikanten moeten open zijn over homofilie en jongeren met homofiele gevoelens persoonlijk weten te bereiken. De christelijke gemeente zou een warme en veilige plaats voor deze geloofsgenoten moeten vormen.

Ds. J. Noordam zegt dat in reactie op het onderzoek dat RefoAnders heeft uitgevoerd. Uit de dinsdag bekend geworden resultaten blijkt dat twee derde van de christelijke homofielen geen lid van de eigen kerkelijke gemeente blijft. „Het bevestigt onze vermoedens”, zegt de hervormd-gereformeerde predikant uit Drachten. Ds. Noordam, die in 1994 het boek ”De huiver van Levicitus. Over ethiek en pastoraat rond homofilie en homoseksualiteit” publiceerde, is lid van het Beraad Bijbel en homoseksualiteit, een platform van hulpverleningsinstellingen. Bij de cijfers plaatst hij een kanttekening: „Het is jammer dat de enquêtevragen slechts een maand op internet gestaan hebben, en dan nog wel tijdens de zomervakantie.”

Belangrijker dan de cijfers vindt ds. Noordam de „levensverhalen, vol vragen en strijd” die achter de percentages schuilgaan. De predikant wijst op het belang van openheid. „Als mensen met hun vragen niet bij de kerk terechtkunnen, zoeken ze hulp bij personen en instanties van een andere geloofsovertuiging. Dat heeft vaak gevolgen voor de weg die deze mensen gaan.”

Een opmerkelijk punt vindt de Friese predikant dat het moment waarop mensen homofiele gevoelens ontdekken bij kerkleden gemiddeld iets eerder (al is het dan maar een aantal maanden) plaatsheeft dan bij niet-leden. „Komt dat toch niet omdat kerkmensen eerder tegen de Bijbelteksten oplopen die homoseksueel gedrag veroordelen, waardoor zij dit eerder als een spanning in hun leven gaan ervaren? Een andere verklaring zou ik niet weten.”

Vaak worden pastorale gesprekken als teleurstellend ervaren, zo blijkt uit het onderzoek. „Het gevaar is inderdaad aanwezig dat je als predikant je vooral richt op de vraag: Doet hij het of doet hij het niet”, zegt ds. Noordam. „Terwijl het er veel meer over moet gaan wat het voor iemand betekent, ook in zijn relatie met God, dat hij homofiele gevoelens heeft. De Heere en Zijn dienst moeten centraal staan. Hoe je dan vervolgens je leven invult, is daar een afgeleide van.

Het is een algemene tendens in onze tijd dat mensen meer met hun vragen en moeiten bij vrienden en familie te rade gaan dan bij de predikant. Dat je dat hier versterkt terugziet, is dan ook te verklaren, maar wel heel jammer. Ook voor de christelijke media ligt hier een taak.”

Ds. Noordam verwijst naar de pastorale handreiking van ds. H. G. de Graaf op de website www.homopastoraat.nl.

De Drachtster predikant zegt bewondering te hebben voor het werk van RefoAnders, dat aandacht vraagt voor homofielen in reformatorische kring en „niet schroomt ook bij andere (niet-christelijke) homo-organisaties en de politiek aandacht te vragen voor de positie van de homofielen uit onze gezindte.”

Kritisch is hij over het taalgebruik. „Men moet niet klakkeloos de gebruikelijke terminologie overnemen. Spreek niet over geaardheid, maar over gerichtheid. Niet over christenhomo, maar over een christen met homofiele gevoelens. Achter deze veranderde benamingen zit een strategie van de homowereld die van geen onderscheid tussen homofilie en homoseksualiteit wil weten. De recent verschenen brochure ”Buitenkerkse theorieën over homoseksualiteit” van dr. H. L. van der Laan geeft een duidelijk overzicht van de invloed van de homobeweging op de kerkelijke meningsvorming in de loop der jaren. Omdat dat zo sluipend gaat, moeten we ervoor oppassen dat ook ons taalgebruik niet vertroebelt.”

Ds. Noordam zegt het te betreuren „dat men in reformatorische kring zo allergisch is voor het begrip ”verandering” zoals dat binnen Different wordt gebruikt. Het is echt een karikatuur te menen dat men daar van homo’s hetero’s maakt. Dat ligt veel genuanceerder. Verandering betekent: hoe leer je in het licht van de Schrift je homofiele gevoelens een plek te geven? Het gaat daarbij vooral om het navolgen van Christus, ook al zal men het in evangelische kring vaak iets anders verwoorden dan wij in de gereformeerde gezindte.”

Bron: Reformatorisch Dagblad 24 oktober 2007