Enige gezangen

Gezang B - Lofzang van Maria
Berijming 1773

1. Mijn ziel verheft Gods eer;
Mijn geest mag blij den Heer
Mijn Zaligmaker noemen,
Die, in haar lagen staat,
Zijn dienstmaagd niet versmaadt,
Maar van Zijn gunst doet roemen.

2. Want ziet, om 's HEEREN daân,
Zal elk geslacht voortaan
Alom mij zalig spreken;
Wijl God, na ramp en leed,
Mij grote dingen deed;
Nu is zijn macht gebleken.

3. Hoe heilig is Zijn naam!
Laat volk bij volk tezaâm
Barmhartigheid verwachten;
Nu Hij de zaligheid,
Voor die Hem vreest bereidt,
Door al de nageslachten.

4. Des HEEREN arm is sterk;
Hij deed een krachtig werk;
Die hoog zijn van gevoelen,
Heeft Hij verstrooid, verward,
Met alles, wat het hart
Dier trotsen mocht bedoelen.

5. Die stout zijn op hun macht,
Heeft Hij versmaad, veracht,
Gestoten van de tronen;
Maar Hij verhoogt en hoedt
Het nederig gemoed,
Waarin Zijn Geest wil wonen.

6. Hij heeft, na lang geduld,
Met goederen vervuld
Der hongerigen monden;
Hij zag geen rijken aan;
Maar heeft z', in hunnen waan,
Gans ledig weggezonden.

7. Zijn goedheid klom ten top;
Hij nam Zijn Isrel op,
Naar 'r heil, Zijn knecht beschoren;
Gelijk Hij, ons ten troost,
Aan Abram en zijn kroost,
Voor eeuwig had gezworen.

Gezang B - Lofzang van Maria
Berijming Petrus Datheen

2. Ziet hierom zullen mij
alle geslachten vrij
welgelukzalig achten;
Want onze God zeer goed
grote dingen nu doet,
door Zijn hand, sterk in krachten.

3. Heilig is Zijnen Naam,
en al Zijn goedheid bekwaam
zal eeuwiglijk beklijven,
van kindskind'ren voortaan,
voor hen, die recht wel gaan
en in Gods vreze blijven.

4. Een schoon en heerlijk werk
door Zijnen arm zeer sterk,
heeft gedaan God almachtig;
Hij heeft de stouten kwaad
en hares harten raad,
tot niet gemaakt zeer krachtig.

(De berijming van Datheen wordt
niet
in onze erediensten gebruikt)

Ga naar | Documentatie |

Laatst gewijzigd: 7 maart 2006