| Gezang C - Lofzang
van Zacharias
(berijmijng 1773)
1. Lof zij den God van Israël,
Den HEER, die aan Zijn erfvolk dacht,
En, door Zijn liefderijk bestel,
Verlossing heeft teweeg gebracht;
Een hoorn des heils heeft opgerecht;
't Geen Davids huis was toegezegd,
Dat wil Hij ons nu schenken;
Gelijk Gods trouw, van 's aardrijks ochtendstond,
Door der profeten wijzen mond,
Zich hiertoe aan de vaderen verbond.
2. God had hun, tot hun troost, gemeld,
Hoe Zijn genâ ons redden zou
Van onzer haat'ren wreed geweld;
Nu blijkt Zijn onverwrikb're trouw;
Nu toont Hij Zijn barmhartigheid,
Van ouds den vaad'ren toegezeid;
En dat Hij wil gedenken
Aan 't heilverbond, aan dien gestaafden eed,
Dien Hij weleer aan Abram deed,
Aan Zijn verbond, dat van geen wank'len weet.
3. Hij speld' ons, dat wij t' allen tijd',
Wanneer die blijde heildag rees,
Van 's vijands dienstbaar juk bevrijd,
Hem dienen zouden zonder vrees,
Naar 't heilig recht, in ware deugd.
O dierbaar kind, o stof van vreugd,
Geschenk van 't Alvermogen!
Elk noem' U Gods profeet, en geev' U eer;
Gij treedt voor 't aanschijn van den HEER,
En baant Zijn weg door leven en door leer.
4. Dus wordt des HEEREN volk geleid,
Door 't licht, dat nu ontstoken is,
Tot kennis van de zaligheid,
In hunne schuldvergiffenis;
Die nooit in schoner glans verscheen,
Dan nu, door Gods barmhartigheên,
Die, met ons lot bewogen,
Om ons van zond' en ongeval t' ontslaan,
Een ster in Jakob op doet gaan,
De zon des heils doet aan de klimmen staan.
5. Voor elk, die in het duister dwaalt,
Verstrekt deez' zon een helder licht,
Dat hem in scâuw des doods bestraalt,
Op 't vredepad zijn voeten richt. |
Gezang C - Lofzang van Zacharias
(berijming Datheen)
1. Dat toch de Heer' zij gemaakt groot,
Israëls God zij geprezen,
Die Zijn volk heeft in angst en nood
bezocht en verlost uit dezen;
En den hoorn des heils opgerecht,
in t huis van David Zijnen knecht;
Zo Hij hadde tevoren,
door Zijner heilige profeten mond,
wel voorzeid tot menigen stond,
den vaderen van Hem uitverkoren.
4. Dat gij den volke vroeg en spaad'
Zijn zaligheid moogt verkonden;
Dewelk' inzonderheid bestaat
in vergeving zijner zonden.
Door Gods goedheid, Die ons allein
heeft als een zon uit 't oosten rein,
bezocht en niet vergeten;
Opdat Hij ze mochte verlichten klaar,
die in de duist're schaduw zwaar
des doods dus lange hebben gezeten.
(De berijming van Datheen wordt
niet in onze erediensten gebruikt)
|