1 Opnieuw richtte de HEER zich tot Jona: 2 ‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen met de woorden die ik je zeg.’ 3 En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de HEER hem opgedragen had. Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. 4 Jona trok de stad in, één dagreis ver, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’ 5 De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed. 6 Toen de profetie de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. 7 En hij liet in Nineve omroepen: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren mogen niet grazen of water drinken. 8 Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen anders gaan leven en breken met het onrecht dat hij doet. 9 Misschien dat God van gedachten verandert en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal hij zijn woede laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.’ 10 Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam hij terug op wat hij gedreigd had hun aan te doen, en hij deed het niet.
1 Dit wekte grote ergernis bij Jona en hij werd kwaad. 2 Hij bad tot de HEER: ‘Ach HEER, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: u bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. 3 Laat mij maar sterven, HEER: ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ 4 Maar de HEER zei: ‘Is het terecht dat je zo kwaad bent?’
Het blijft een raar verhaal. Jona wil dood. Hij zegt: ‘Zei ik het niet? Ik had beter thuis op de bank of in de buik van de vis kunnen blijven zitten. Ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ Vreemd, want één hoofdstuk eerder schreeuwt Jona tot God vanuit de vissenbuik om alsjeblieft te mogen blijven leven. Werkelijk álles wil hij doen in ruil voor zijn eigen redding. Hij wordt door de vis uitgekotst op het droge, gaat naar Nineve en roept rond dat God nog 40 dagen geeft voor Hij de stad wegvaagt.
God is veel te goed Waarom wil Jona dood? In hoofdstuk 4 vers 2 knalt hij zijn woede eruit: ‘Ik wist het wel: U bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.’ Hij gebruikt hier bekende bijbelse woorden die je (onder meer) terugvindt in Exodus 34:6,7 – een belijdenis waarin geweldig mooi Gods karakter wordt beschreven.[1] Maar uit de mond van Jona klinken diezelfde woorden gefrustreerd, kil en onbegrepen. God is volgens hem veel te goed voor Ninevieten die Jona en zijn volk slecht behandelen. Jona neemt het God kwalijk: Was U maar niet zo genadig! Waarom moet ik 40 dagen donderpreken als U de stad tóch niet wegvaagt? Had ik me mooi die moeite kunnen besparen! Hij ergert zich aan het feit dat God niet doet wat Hij zegt te doen. God maakt zichzelf ongeloofwaardig en Jona voelt zich in zijn hemd gezet. Alsof hij een bom op de stad gooide, waarvan het ontstekingsmechanisme niet blijkt te werken. Hij kan geen kant op met een God die niet in zijn dogmatische schema’s past. Bizar eigenlijk, je verwacht dat een profeet niets liever wil dan dat een stad wordt gered, maar het tegendeel is waar: Jona wordt depressief van een God die zó genadig is.
À la Jona?
In Jona’s reactie herken ik wel iets van hoe wij als christenen soms tegen mensen aan kijken. Want hoe staat het eigenlijk met mijn bewogenheid voor mensen die Jezus nog niet hebben leren kennen en die soms door en door slecht zijn? Zo goed scoor ik niet en volgens mij liggen daar heel wat oorzaken aan ten grondslag. Ik licht er een paar uit:
Ik ben beter dan de ander
Stiekem vinden we ons leven toch beter, netter, christelijker dan dat van niet-gelovigen: je vloekt bijna niet, voelt je verantwoordelijk voor je naaste, bent kerkelijk betrokken, geeft aan goede doelen, rent niet van de ene in de andere kortstondige relatie… Je kunt je dan beter voelen dan die ander, ook al zeggen we in de kerk dat we van nature ‘geneigd zijn tot alle kwaad’. Dat Gods genade voor mij ‘geldt’ vind ik normaal, ik doe bijna alsof ik er recht op heb. Maar dat Hij op dezelfde manier scheutig is met Zijn genade voor een ongelovige, die er in mijn ogen een potje van maakt, dát ergert me.
Onverschilligheid
Je kunt zo met je eigen (geloofs)leven bezig zijn, dat je geen oog hebt voor iemand die het Evangelie niet kent. Me, myself and I. Van m’n eigen sores kan ik wakker liggen, maar die duizenden bij mij in de stad die zonder Jezus geen toekomst hebben, dat interesseert me maar matig. Ik slaap er niet minder om. Heftig om dit zo op te schrijven, maar ik ben bang dat het vaak wél zo werkt.
Muurvaste principes
Recht toe, recht aan – daar houden we wel van als het gaat om het beoordelen van een ander. Een Alpha-cursist die niet naar de kerk komt omdat hij in de zondagscompetitie speelt, kan rekenen op een sceptische reactie: ‘Als hij geloven serieus meent, dan bezoekt hij onze erediensten!’. We zitten muurvast in onze principes en bepalen daarmee wie wel of niet bij Jezus hoort. Wie van onze regels afwijkt, wordt afgeserveerd. Maar daarmee oordelen we strenger dan God: we laten recht vóór genade gaan. Terwijl het omgekeerde de bedoeling is: genade heeft voorrang boven recht! De Here God zet niet alleen een goed werk in gang bij mensen die Hem nog niet kennen, maar Hij maakt het ook áf.[2] Op Zíjn manier, niet altijd volgens onze normen.
Van je troon af!
Het gedrag van Jona geeft me in ieder geval geen redenen om erg optimistisch te zijn over hoe wij omgaan met de missionaire opdracht die God ons geeft. Hoe krijgen we hart voor de Heer én hart voor de wereld? Uitgerekend de koning van Nineve laat zien hoe dat kan. Want wat Jona niet had, heeft deze koning wél! Dit is wat hij doet (Jona 3:6-9):
Hij komt van zijn troon af
Hij doet zijn prachtige kleren uit
Hij trekt boetekleding aan
Hij gaat op de grond zitten
De drive waarmee die koning in actie komt is: ‘wie weet…!’.[3] Hij zet al zijn hoop op de eventuele genade van God en het eerste wat hij doet is van zijn troon afkomen. Jona vertikte dat – hij bleef op zijn zelfgefabriceerde troon zitten. Zolang je op je troon zit, bepaal jij de regels en beoordeel je alle anderen vanuit de hoogte. Maar God is de enige ter wereld die het recht heeft mensen te oordelen. Als je dat doorkrijgt, dan zijn we snel klaar met onze praatjes over het recht op wonderbomen,[4] onze voorrangspositie bij God en de slechtheid van een ander.
De koning van Nineve wordt één met zijn volk. Het mooie is dat hij het kleine beetje hoop dat hij heeft (‘wie weet…’) niet voor zichzelf houdt, maar deelt met zijn volk. Allemaal een boetekleed, allemaal vasten – ze grijpen zich vast aan de laatste strohalm en hopen op genade van God. Dat zorgt voor een ommekeer: ze roepen God aan, gaan anders leven en breken met onrecht. ‘Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam Hij terug op wat Hij gedreigd had hun aan te doen, en Hij deed het niet.’ (Jona 3:10)
Anne-Marie van Briemen, jongerenwerker bij de HGJB
Voetnoten
[1] Daar staat: ’De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.’
[2] Filippenzen 1:6
[3] Jona 3:9
[4] daar was Jona goed in, zie Jona 4.