Wat beweegt ons?
Recent stond in de Waarheidsvriend te lezen dat drs. P.J. Vergunst zich uitgedaagd wist door de ‘aperte onjuistheden’ die in de laatste brochure van het Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Nu de PKN een feit wordt…hoe verder?’ te vinden zouden zijn, om op dit brochure in te gaan. Dat hij zich uitgedaagd wist is gebleken. Nu wil ik dat niet omkeren. Ik weet mij niet uitgedaagd. Ik weet mij wel gedrongen, namelijk om in te gaan op een aantal zaken die in zijn reactie naar voren komen, en waardoor juist dát lijkt te gebeuren, wat het Comité verweten wordt.
Echter, vooraf iets anders. Van harte stem ik met drs. P.J.
Vergunst in dat we onbijbelse zaken krachtig én geestelijk dienen af
te wijzen, en tegelijk correct dienen te zijn in liefde en zelfverloochening.
Juist daarom schrok ik van zijn reactie en weet ik mij pijnlijk getroffen. In
zijn bijdrage wordt het Comité ervan beticht misleidend bezig te zijn,
verwarring te zaaien, suggestief te spreken en zelfs onbijbels te handelen.
Gelet op het voorgaande begrijp ik dat niet. Heeft het Comité zich ooit
op dergelijke wijze over de Gereformeerde Bond uitgelaten? Is daar ooit deze
toon gezet? En dan nog dit: als de Gereformeerde Bond, gelet op de handreiking,
meent ‘met vreze en beven’ zijn plaats in te moeten nemen in de
PKN, hoe kan men dan zo hard oordelen over degenen die dat niet kunnen? De goede
toon, die men hoopt steeds te hebben getroffen, wordt wat mij betreft hier pijnlijk
gemist.
In deze reactie wil ik proberen in te gaan op de belangrijkste argumenten die
drs. Vergunst naar voren brengt. Waarbij het mij nadrukkelijk gaat om zaken,
niet om personen. Want het is inderdaad van groot belang op correcte wijze met
elkaar in gesprek te zijn, en daarbij liefde en zelfverloochening te betrachten.
***
In de introductie op het artikel worden al verschillende zaken
gesteld die weersproken moeten worden. Het Comité zou aan een breuk met
de kerk werken. ‘Alles moet blijkbaar stuk’ is wat drs. Vergunst
betreft een terechte waarneming gelet op de handelwijze van het Comité
na 12 december. Kun je het Comité, dat zich geroepen weet zich in te
spannen voor het behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk, ervan beschuldigen
op breuken aan te leggen? Die vraag dringt te meer, als we ons in herinnering
brengen hoe ook door de Gereformeerde Bond in het verleden een- en andermaal
gesteld is dat juist de nieuw te vormen kerk een breuk zou betekenen met de
Hervormde Kerk in ons land (1986, 1993, 1995)! Maar nog afgezien daarvan: het
enige waartoe het Comité zich genoodzaakt ziet is leiding te geven aan
hen die in de werkelijke nood, in de werkelijke verlegenheid zijn terechtgekomen
van niet weg te kunnen (van het Hervormde fundament) én niet mee te kunnen
(naar een nieuwe, plurale kerk). ‘Alles moet blijkbaar stuk’: was
dat niet waar te nemen op 12 december, toen de synode met terzijdestelling van
verschillende moties bij synodaal besluit de Nederlandse Hervormde Kerk van
haar fundamenten afstootte?
Vervolgens wordt gesteld dat door toedoen van het Comité gemeenteleden
worden opzet tegen kerkenraden. Maar, is dat aan de orde als gemeenteleden die
in geweten niet mee kunnen naar de PKN slechts wordt aangegeven hoe zij kunnen
en moeten handelen?
Ook wordt het Comité in verband gebracht met een advertentie van vergaande
inhoud die recent in verschillende kranten verscheen. Wat niet genoemd wordt,
al kan het de auteur ontgaan zijn, is het feit dat het Comité nota bene
rectificaties plaatste om duidelijk te maken daar op geen enkele wijze verantwoordelijk
voor te zijn.
***
Verder nog gaat het. In het betreffende artikel wordt ook gesteld
dat bij hen die zeggen niet mee te kunnen gaan naar de nieuwe kerk zo weinig
wordt gehoord over de vastheid van Gods verbond alsook over onze schuld tegenover
God, de kerk en elkaar. Echter, wie de brochures en periodieken kent die onder
verantwoordelijkheid van het Comité zijn uitgegeven alsook de lezingen
die op vele plaatsen zijn gehouden, weet dat dat telkens weer opnieuw benadrukt
is. De lezer overtuige zichzelf. De brochure met de toespraken van de laatst
gehouden bezinningsdag spreekt voor zich.
Intussen, en daar spits drs. Vergunst zijn kritiek op toe, wordt gesteld dat
het Comité kerkenraden en gemeenteleden een weg wil doen gaan die in
hervormd-gereformeerde kring vanouds in afgewezen. Ik meen dat hij daarmee de
weg van afscheiding bedoelt. Echter, daarvoor willen wij hen juist bewaren!
Doordrongen van het feit dat de nieuwe kerk zich afscheidt van de belijdenis,
de geschiedenis en de identiteit van Nederlandse Hervormde Kerk, dat zij het
eenduidige spoor van het gereformeerde belijden verlaat. Het lijkt me niet nodig
uitvoerig te herinneren dat het de Gereformeerde Bond was die herhaaldelijk
stelde: ‘Die Nieuwe Kerk zal zich dan ook afgescheiden hebben van de kerk
der Reformatie dan wel de Hervormde Kerk. En aangezien hervormd-gereformeerden
altijd al tegen afscheiding zijn geweest, kunnen zij ook nu niet mee.’
De exegese van deze en dergelijke uitspraken in hun context, zoals die nog niet
zo lang geleden werd gegeven, heeft mij er niet van kunnen overtuigen dat hier
iets anders staat dan er staat…
Echter het valt op dat de schrijver het steeds heeft over ‘de kerk’.
De Gereformeerde Bond heeft steeds gesproken, niet uit verzet tegen de kerk
maar uit zijn roeping voor de kerk, zo staat te lezen. En elders komt de uitdrukking
‘de weg van de kerk’ voor. Maar: welke kerk? De Nederlandse Hervormde
Kerk? De Protestantse Kerk in Nederland? Of geen van beiden? Of beiden? Uit
diverse opmerkingen blijkt het laatste het geval te zijn.
In het stuk gaat het namelijk niet (meer) over de nieuwe kerkorde, men spreekt
nu over de kerkorde van de PKN als de gewijzigde kerkorde. Alsof de kerkorde
van de PKN slechts een wijziging van de Hervormde Kerkorde is! Dit versluiert
het ingrijpende confessionele, theologische en ethische verschil tussen die
twee. De één is naar de grondslag wezenlijk en eenduidig gereformeerd,
de ander wezenlijk pluraal! Met alle gevolgen van dien. Dat is geen gradueel
verschil, dat is een principieel verschil.
Eenzelfde gevoel bekruipt de lezer als in aansluiting daarop gesteld wordt dat
ook in de PKN de Heilige Schrift toch de enige bron en norm is, én de
drie Formulieren van Enigheid er ongeschonden in meegaan. Wat betreft het eerste:
hoewel het veelbetekenend lijkt, is het dat niet. Want hoewel de Schrift als
enige bron en norm beleden wordt, worden tegelijk tal van leringen en praktijken
wettig verklaard in de kerk die haaks op dat Woord staan. Dat kan dus enkel
dit betekenen: tal van leringen en praktijken die wij op grond van het Woord
van harte hebben te verwerpen, worden in de PKN als Bijbels beschouwd en hebben
daarom hun wettige plaats in de kerk. Hoe de genoemde belijdenis er dan ‘ongeschonden’
uit kunnen komen is mij een raadsel. En dan denk ik enkel maar aan de wijze
waarop de Leuenberger Konkordie op verschillende momenten het gereformeerde
belijden het zwijgen oplegt.
***
Als het gaat over de vraag hoe het nu verder moet, maakt het
Comité zich in de ogen van drs. Vergunst schuldig aan misleiding. Wat
is het geval?
In de door hem gewraakte brochure wijst het Comité degenen die niet meekunnen
de PKN in de wegen die zij met hun diepste bezwaren moeten bewandelen. Dit werkt
volgens Vergunst onderlinge strijd en verwarring in de hand. En dat terwijl
we toch geroepen zijn gemeenten daar juist voor te bewaren. Ons wordt gevraagd:
‘Is dat niet het minste wat Christus van ons vraagt?’. Nu zal niemand
betwisten dat we geroepen zijn de gemeenten daar inderdaad voor te bewaren.
Maar, is het eerste wat Christus vraagt niet dit, dat we de gemeenten bij de
waarheid bewaren? Dat we allereerst en allermeest vragen naar de gehoorzaamheid
aan Hém? En daarín en daarbínnen zoeken naar eenheid en
gemeenschap? Trouwens, is de genoemde verwarring niet ontstaan doordat de synode,
met voorbijgaan aan alle bezwaren en smeekbeden, doorging op deze voor velen
onbegaanbare weg? Verlangt de Gereformeerde Bond nu van ons ten diepste niet
hetzelfde als de synode al eerder deed? Namelijk: ons geweten, in het Woord
gebonden, geweld aan te doen? En van de dure roeping als kerk en gemeente een
‘pilaar en vastigheid der waarheid’ te zijn af te doen?
De weg die we door de nood gedwongen worden te gaan is gedoemd dood te lopen
en haalt de kerk van Christus in de ogen van de wereld naar beneden, oordeelt
drs. Vergunst. We hoeven er denk ik geen geheim van te maken dat wij die weg
ook niet zien. Dat is ook een stuk nood, en werkelijke verlegenheid. Maar, was
dat niet dikwijls het geval? In de geschiedenis van Israël en de kerk?
Wegen liepen, zoals voor de Rode Zee, werkelijk dood. Echter, dat was wel de
richting die het volk in gehoorzaamheid had te gaan. Als onze zorg de gehoorzaamheid
aan de Heere is, aan Zijn wil zoals neergelegd in het Woord, mag de weg waarop
Hij brengt doodlopend schijnen maar is het niet. En, is blijven in die nood
niet te verkiezen boven het gaan van een weg, die verder afvoert van de gehoorzaamheid
aan Zijn getuigenis?
Denkelijk kan de Gereformeerde Bond zijn energie beter investeren in het aanklampen
van de meerdere vergaderingen van de kerk. Want: hoezeer zal het de kerk van
Christus in de ogen van de wereld niet naar beneden halen, als zij dé
waarheid opgeeft, en wettig in de kerk van Christus noemt wat de Koning van
de kerk onteert, bedroefd en belastert? Als de kerk haar dure roeping van een
pilaar en vastigheid der waarheid te zijn verzaakt.
***
In de brochure wordt verder naar de indruk van drs. Vergunst
bewust voorbijgegaan aan het feit dat de kerk toch wettig tot de vaststelling
van de nieuwe kerkorde besloten heeft. Als dat zo is, zou dat manipulatie zijn.
Ik kan hem gerust stellen. Daar wordt in de brochure niet op gewezen, het wordt
evenmin bestreden. Het wordt als een feit vastgesteld. Niemand onzer zal er
aan tornen dat bedoeld besluit wettig, dat wil zeggen: procedureel juist, is
genomen. Echter, daarmee is niet alles gezegd. En al helemaal niet dat elke
kerkenraad, elke ambtsdrager en elk gemeentelid het daarom zou moeten aanvaarden.
Het is een onopgeefbare gereformeerde uitgangspositie ook een kerkelijk besluit
alleen aan te nemen indien en voor zover in overeenstemming met de onfeilbare
regel van de Schrift (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 7 en 32).
Onder andere om die reden is steeds ook door het Comité gesteld dat meegaan
de PKN in een actieve daad is. Drs. Vergunst bestrijdt dat. Hij betoogt dat
de PKN de automatische voortzetting is van de NHK, en dat leden van deze kerk
straks automatisch lid zijn van de PKN. (Let wel: dat, terwijl juist de Gereformeerde
Bond steeds stelde dat de nieuwe kerk niet als een voortzetting van de NHK kon
gelden, noch rechtens noch feitelijk!) Tegelijk schrijft hij dat er niets ‘gedwongens’
aan is. Dit zijn toch raadselachtige zinnen. Dat er niets ‘gedwongens’
aan is, veronderstelt een zekere vrijwilligheid. Terwijl eerder benadrukt was
dat men automatisch, of men dat nu wil of niet!, lid wordt van de PKN. Het lijkt
mij duidelijk dat niemand gedwongen kan worden de PKN in te gaan. Waarbij het
wel aangetekend moet worden dat er wel degelijk iets ‘gedwongens’
aan is. De kerk neemt, gelet op haar belijdenis, een nieuwe identiteit aan,
en meent deze dwingend aan een ieder op te kunnen en te mogen leggen.
***
In het artikel van drs. Vergunst worden de juridische inzichten
zoals die in de brochure van het Comité zijn verwerkt, ten stelligste
bestreden. De visie van het Comité is niet juist, kerkjuridisch onhoudbaar
en bovendien voor de rechter niet afdwingbaar, is zijn oordeel. Enkele opmerkingen
daarbij.
In de brochure wordt herhaaldelijk aangegeven dat de, naar onze overtuiging
aanvechtbare, visie van de synode in dezen anders is dan die van het Comité.
Deze uiteenlopende visies gaan onder andere terug op verschillende juridische
interpretaties. Bovendien wordt op meerdere momenten aangewezen (ik denk aan
de vragen 11 en 20) dat waarschijnlijk gaandeweg juridische procedures pas duidelijk
zal worden hoe deze dingen uiteindelijk in de ogen van de wetgever liggen.
De voorlichting in de bedoelde brochure is wat dat betreft volstrekt transparant
en evenwichtig. Ook drs. Vergunst kan weten dat het rapport waarin de synode
heeft uitgewerkt hoe zij de verhouding ziet tussen de landelijke kerk en de
plaatselijke gemeenten alsook hoe die verhouding vertaalt moet worden in de
richting van maatregelen in het geval een gemeente zich niet voegen kan naar
het synodale beleid – het rapport ‘Om de eenheid en heelheid van
de kerk’ – zowel theologisch als juridisch op meerdere punten aanvechtbaar
is. Immers, om één cruciaal element te noemen, de kerkenraad vertegenwoordigd
uit Bijbels, confessioneel en kerkordelijk oogpunt wel degelijk de gehele gemeente,
hoezeer de synode zijn beslissingsbevoegdheid in dezen ook ontkent. De kerkenraad
draagt en neemt de verantwoordelijkheid voor de gehele gemeente. Naar het apostolisch
bevel: ‘Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover’
(1 Petrus 5:2a). En, naar uitwijzen van het Woord is ook de belijdenis daar
zeker niet onduidelijk over. In de artikelen 30 tot en met 32 van de Nederlandse
Geloofsbelijdenis wordt dat in niet mis te verstane woorden uiteengezet. Waarbij
het 32e artikel ten aanzien van de roeping en plicht van deze ‘regeerders
der kerk’ stelt: ‘dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te
wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geleerd heeft. En daarom
verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren,
om God te dienen, en door deze de consciëntiën (gewetens) te binden
en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn. Zo nemen wij dan alleen aan,
hetgeen dienstig om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, en
alles te onderhouden, in de gehoorzaamheid Gods’.
Echter, op meerdere onderdelen is het genoemde rapport in strijd met principia
die van oudsher bepalend zijn geweest in de kerk der Reformatie. Te denken valt
aan het presbyteriale karakter van de kerk, zoals onder meer blijkt uit de dissertatie
van mr.dr. J.J.H. Post. Op het moment dat een intern kerkelijk ‘rechtscollege’
in een geschil op dit punt naar onze overtuiging geen juiste uitspraak doet
of kan doen, blijft er nog één ding over: de vraag over de juiste
interpretatie van die verhouding voor leggen aan de daartoe bevoegde instantie:
de rechter. In dier voege is gesproken van het beroep op de rechterlijke macht.
Een veel belangrijker punt in dit geval is het volgende. Het gaat het Comité
uiteraard niet primair om het halen van het juridisch gelijk. Daarom is de informatie
op dat punt ook genuanceerd en voorzichtig. Waar het wel om gaat is dit: ‘Principieel,
confessioneel en geestelijk zien we het achterblijvende deel van de Nederlandse
Hervormde Kerk als de voortzetting van de oude Nederlandse Hervormde Kerk.’
(11c).
Of en in hoeverre dat juridisch haalbaar is, is belangrijk maar niet primair.
Dat maakt óók de verlegenheid uit. Van alle kant wordt ons toegeroepen
dat het niet kan: hervormd blijven. Vanwege de synode, en dat was te verwachten,
nu ook vanwege de Gereformeerde Bond. Waarbij het voor mij nog steeds een vraag
is, waarom uitgerekend de laatste zich er nu voor leent het, juridisch maar
zeker pastoraal, hoogst bedenkelijke beleid van de kerk zoals verwoord in bovengenoemd
rapport te verdedigen. Hoe onmogelijk onze positie dan wellicht is: we kunnen
niet anders! Dat is onze nood. We kunnen werkelijk niet weg, en we kunnen werkelijk
niet mee.
***
We weerspreken de uiteindelijke beschuldiging met klem: wij
willen geen nieuwe kerk. We willen hervormd blijven. Ook als dat op alle manieren
onmogelijk gemaakt wordt. Het hervormd-zijn, van gezindheid, maar ook van kerkorde
en belijdenis zal niemand ons uiteindelijk kunnen afnemen.
Als er als gesproken moet worden van een nieuwe kerk, dan is het de PKN. Trouwens:
de vrees van drs. Vergunst dat ‘tien keer gereformeerd’ opnieuw
vermeerderd wordt, is ongegrond. Met het opgaan van drie bestaande kerken in
de PKN verdwijnen zelfs kerken die als gereformeerd aan te merken zijn…
***
Andersom wil ik tot slot voorzichtig een aantal vragen en opmerkingen
aan drs. Vergunst, en in zijn persoon aan de Gereformeerde Bond richten.
1. De laatste weken worden er stevig geschreven in de richting van degenen die
niet meekunnen. Het Comité en het Gekrookte Riet waren onder de geadresseerden.
Zij werden opgeroepen hun beweegreden nog eens te herzien. We lazen echter niets
van schriftelijke reacties in de richting van synodeleden die gerekend kunnen
worden tot de Gereformeerde Bond en die nota bene vóór stemden
op 12 december. Die daarmee hun instemming gaven aan het geheel van de kerkorde
en de ordinanties. Verdienen hun redenen en motieven geen heroverweging? Behoeven
die niet kritisch bevraagd te worden?
2. Zou het hervormd-gereformeerden die hun plaats menen te moeten innemen in
de PKN niet sieren een pastorale arm om de schouder te leggen van hen die dat
niet kúnnen? Zou in dat licht ook de Gereformeerde Bond er misschien
niet beter aan doen te blijven kloppen op de synodale deur en voor die nood
aandacht te blijven vragen? Te blijven aandringen op een oplossing teneinde
niet uiteengedreven te worden? Het Comité wordt verweten geen woord te
wijden aan degenen die wel mee willen gaan. Andersom vindt men blijkens tal
van bijdragen woorden genoeg voor degenen die het niet kunnen. Echter of dat
op deze wijze gepast is, mag men zich toch wel afvragen.
3. Daarmee verbonden wil ik ook aan drs. Vergunst vragen waarom hij en, naar
ik aanneem, ook de Gereformeerde Bond als zodanig, er zich aan geven te gaan
verdedigen wat de synode stelt en voorstelt in het rapport ‘Om de eenheid
en heelheid van de kerk’? Waarin zoals gezegd, zowel kerkordelijk en juridisch,
maar vooral ook pastoraal zulke bedenkelijke lijnen worden uitgezet? Zou het
niet beter zijn dergelijke zaken kritisch te bevragen in plaats van gewetensbezwaarde
broeders op deze wijze zoeken te raken?
4. Het lijkt er op dat ook de Gereformeerde Bond nu, zoals het ons bij de meerdere
vergaderingen als zo dikwijls overkwam, de gewetensnood niet werkelijk gepeild
heeft. Het Comité had wat drs. Vergunst betreft moeten begrijpen dat
nu de eenheid het eerste is waartoe we geroepen zijn, hoe groot de gewetensnood
ook is! In het licht van Romeinen 14 een onjuiste gedachte. Waar wij stelden
‘om Gods wil en des gewetens wil’ niet mee te kunnen, gaven we daarmee
uitdrukking aan onze vaste overtuiging de weg de PKN in niet te mogen gaan,
en daarom niet te durven en te kunnen gaan, en daarom niet te willen gaan.
5.Tenslotte leg ik bij nog één ding de vinger. Ik wees er al op
dat de bewering dat de drie Formulieren van Enigheid ongeschonden meegaan onhoudbaar
is. Met nadruk stelt drs. Vergunst dat gemeenten zich kunnen binden aan de gereformeerde
belijdenis. Maar, waarom wordt niet meteen aangegeven dat deze bijzondere verbondenheid
pas komt náást en bínnen de algemene verbondenheid met
het geheel van de belijdenis van de PKN zoals die kerkordelijk verankerd is?
De handreiking drukt die bijzondere verbondenheid uit ‘zonder af te doen
aan de vastgestelde kerkorde van de verenigde kerk’. Om die reden verzette
moderamen en KOA zich met hand en tand tegen het voorstel om een formulering
te kiezen in termen van ‘uitsluitend gebonden aan’ of: ‘en
datgene uit de andere belijdenisgeschriften dat hiermee in overeenstemming is’!
En dientengevolge wordt van ons wel degelijk gevraagd als wettig in de kerk
te erkennen en te respecteren wat kerkordelijk legitimiteit heeft, hoe onschriftuurlijk
het in onze ogen ook is. In weerwil van wat de Gereformeerde Bond verklaart.
***
Wat beweegt ons? Het besef dat we voor alles geroepen zijn bij
de gezonde leer, zoals die ook tot uitdrukking komt in het belijden van de Nederlandse
Hervormde Kerk, te blijven. Hetgeen ons niet toestaat de Nederlandse Hervormde
Kerk prijs te geven, door een kerk in te gaan waar deze leer ten prooi valt
aan een ongeoorloofde pluraliteit. We kunnen niet anders dan getrouw blijven
bij dat fundament van de eenduidig beleden Bijbelse waarheid.
Niet enkel indien of voor zover dat kerkjuridisch mogelijk wordt geacht. We
kunnen toch aan deze roeping geen gevolg geven slechts voor zover wij dat mogelijk
achten of voor zover we daar (juridisch) mogelijkheden voor zien? Nee toch?
Al is het legitiem te vragen dat ons recht gedaan zal worden. Maar, gelet op
de trouw van God, aan Zijn Woord, Zijn waarheid, Zijn verbond, begeren we te
blijven in hetgeen we geleerd hebben, en waarvan ons verzekering gedaan is.
Gedachtig aan Zijn bevel en belofte: ‘Hebt acht op uzelven, en op de leer;
volhardt daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.’
P.C. Hoek v.d.m.