Reactie op de brief van ds. Kieskamp - door ds. W. van Vlastuin
Geliefde broeder Kieskamp,
Het is een wonderlijke eigenschap van de liefde dat we deze extra voelen in
ons hart wanneer er zoveel is dat de band van de liefde dreigt te breken. Het
is vanuit deze ervaring van de liefde dat de aanhef van onze brief is zoals
deze is, in antwoord op uw schrijven van 15 december 2003, gepubliceerd in de
Waarheidsvriend van 30 december 2003.
U stelt vele indringende vragen aan ons adres. Dat mag ook. Het zijn vragen
die wij onder ogen hebben te zien. In alle bescheidenheid mogen we u zeggen
dat we deze vragen ook onder ogen trachten te zien. We hebben ons wel duizendmaal
afgevraagd of er bij ons een schadelijke weg is. Er is niets dat we zozeer vrezen
als de door u genoemde vleselijkheid, oneerlijkheid, radicaliteit, moedeloosheid,
onvoorzichtigheid en emotionaliteit. Wij zijn er diep van doordrongen dat al
deze dingen in ons hart aanwezig zijn en dat we daarom tot al deze boosheid
zijn geneigd. We weten dat ons geweten bij een dwaalziek hart behoort en dat
alle mensen leugenaars zijn. Ons geweten is geen onfeilbare gids, maar het behoeft
de voortdurende toetsing van het onfeilbare Woord van God. Dit besef brengt
ons te meer tot de bede om in Gods Woord alleen te worden vastgemaakt en door
Zijn Geest te worden geregeerd.
We kunnen nog een spade dieper graven. De vragen die u ons stelt, hebben in
ons hart voor diepe aanvechting gezorgd. In deze verschrikkelijke aanvechtingen
hebben we in beginsel alles verloren, terwijl we ervan doordrongen zijn dat
we elke dag onszelf, de kerk en alle menselijke mogelijkheden dienen te verliezen
om de Heere en het getuigenis van Zijn Geest in onze harten over te houden.
Daarom kunnen en durven we niet anders. Ons geweten werd gebonden aan de Heere
en Zijn Woord, en vrijgemaakt van mensen en synodale beslissingen. Van deze
gewetensovertuiging willen we in antwoord op uw schrijven een korte verantwoording
afleggen.
1. In de eerste plaats menen we dat we geroepen zijn om het pand dat de Heere
ons toebetrouwde te bewaren (1 Timotheüs 6:20a). De Heere vertrouwde ons
in de geschiedenis van ons land de gereformeerde belijdenis toe. Deze belijdenis
werd in de weg van diepe worstelingen uit het gelouterde hart geboren. In deze
belijdenis werd de enige troost in leven en in sterven in kerkers en op schavotten
uitgezongen. De taal van onze belijdenis is beproefde taal.
We menen dat we de Heilige Geest bedroeven als we kerkelijk niet blijven bij
de belijdenis van dit geloof. We zijn de overtuiging toegedaan dat dit geloof
niet meer de kerkelijke grondslag van de PKN uitmaakt. De drie formulieren van
enigheid worden weliswaar genoemd in de kerkorde van de nieuw te vormen kerk,
maar de eenheid van de kerk wordt er niet meer door bepaald. In die zin zijn
de drie formulieren als formulieren van eenheid losgelaten.
2. In het verlengde van het voorgaande menen we dat we de PKN
niet kunnen zien als de wettige opvolger van de Ned. Herv. Kerk. De identiteit
van de kerk wordt immers bepaald door het geloof dat zij belijdt (besluit Dordtse
Leerregels). Wanneer we de kerkelijke grondslag van de Ned. Herv. Kerk vergelijken
met de grondleggende artikelen van de PKN zien wij grote discontinuïteit.
Dit brengt ons er inderdaad toe om in lijn met de uitspraken van het hoofdbestuur
van de Gereformeerde Bond van 1996 en eerder de PKN te zien als een breuk met
de Ned. Herv. Kerk. Het is onze huiver voor afscheidingen die ons er nu beducht
voor maakt om deel uit te maken van de PKN. Daarom kunnen wij het synodebesluit
om de Ned. Herv. Kerk onder te brengen in de PKN in het licht van Gods Woord
niet als wettig erkennen (art. 7 en 31-32 NGB).
Wij vermoeden hier een verschil in de visie op de kerk. U wilt trouw zijn aan
de kerk, zonder de vraag naar de identiteit van de kerk te benadrukken, terwijl
wij menen dat we voor alles trouw dienen te blijven aan de leer en de confessionele
identiteit van de kerk. We menen dat de gereformeerde belijdenis geen theologisch
model is, maar de werkelijkheid van Gods Woord op een adequate wijze vertolkt.
3. Ten derde hebben we geen vrijmoedigheid om toe te treden
tot de PKN gezien de confessionele identiteit van de kerk. We duiden deze als
een "ondeugdelijk fundament." Naar onze overtuiging is de nieuwe kerk
geen gereformeerde kerk te noemen, maar een plurale. De mogelijkheid om ons
gebonden te weten aan de gereformeerde belijdenis verandert niets aan het plurale
karakter van de kerk. Integendeel, het plurale karakter van de kerk biedt het
kader voor de gebondenheid aan dit belijden. Wij vragen ons in gemoede af of
de PKN zo nog een "pilaar en vastigheid van de waarheid" (1 Timotheüs
3:15) kan worden genoemd. We realiseren ons dat "het lidmaatschap der Kerk,
reeds van zelf, eerbiediging te kennen geeft van hetgeen zij belijdt" (Groen
van Prinsterer).
Daarbij komt dat wij het ernstig betwijfelen of de mogelijkheid van beroep op
de gereformeerde belijdenis sinds 12 december 2003 nog weer is aangescherpt.
Als we het besluit tot vereniging van deze 12e december lezen, wordt het kader
voor dit beroep ons duidelijk. Het geschiedt "zonder af te doen aan de
vastgestelde kerkorde van de verenigde kerk" met de roeping "om te
groeien in het gemeenschappelijk belijden van de kerk." We lezen hierin
dat het niet bij het beroep op de gereformeerde belijdenis kan blijven, maar
dat we toegroeien naar een gemeenschappelijk belijden. Naar ons inzicht geeft
de Konkordie van Leuenberg de modus van dit nieuwe belijden aan.
4. Wij durven niet te zeggen dat de Heere breekt met de PKN, evenmin als wij dat durven zeggen van de roomse kerk of van een evangelische groepering. Waar het Woord van de Heere is, kan en zal Hij werken. De Heere heeft Zijn kinderen wereldwijd in de meest ongedachte plaatsen. Wij denken dat wij de vraag niet behoeven te stellen waar de Heere wel en niet werkt. Het antwoord op deze vraag komt ons nog minder toe. Deze dingen liggen geheel in de soevereine handen van de Heere. Wij hoeven niet door te dringen in Zijn verborgen wil, maar wij dienen ons te houden aan Zijn geopenbaarde wil. Wij vragen ons niet af wat de Heere doen kan, maar wat onze roeping is. De uitkomst daarvan is voor de Heere.
5. We weten ons aangesproken door de door u aangehaalde oproep
van de Heere om weder te keren tot Hem (Hosea 6:1). Met u zien we iets van een
oordeel van God in het fusiebesluit, met name in stemverhouding. Dat huiveringwekkende
oordeel van de Heere gaat in het bijzonder over de gereformeerde belijders in
de kerk. Wij zijn van het heilspoor afgegaan. Wij zijn niet onvoorwaardelijk
opgekomen voor het alleenrecht van Gods Woord op de hele kerk. Wij waren lauw
in het dienen van de Heere.
Het besef van Gods gericht over de kerk maakt ons klein. We weten ons onwaardig.
In ons hart leeft de erkenning: "Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want
ik heb tegen Hem gezondigd" (Micha 7:9). Vanuit deze grondhouding zijn
de grote moeiten en de zorgen waarin wij zijn terecht gekomen niet te zwaar.
Vanuit deze grondhouding is er in ons hart tevens het verlangen om weder te
keren tot de Heere, in Zijn wegen te wandelen en getrouw te zijn in Zijn inzettingen.
Omdat wij menen dat de PKN een weg van de Heere af is, menen we dat we ons op
deze weg niet mee mogen laten nemen. Als het om ons persoonlijk belang ging,
zouden we ons laten meenemen naar de PKN, maar omdat de gehoorzaamheid aan Gods
Woord in het geding is, menen we "neen" te moeten zeggen tegen de
PKN.
6. In aansluiting op de voorgaande overweging leeft bij ons de overtuiging dat we de huidige kerkelijke ontwikkeling in een bredere geestelijke ontwikkeling dienen te plaatsen. We menen dat er sprake is van een "strijd der geesten." Het plurale beginsel van de PKN verdraagt zich niet met het exclusieve karakter van het Woord van God. In de diverse kerkelijke gesprekken om tot een begaanbare weg voor de hervormd-gereformeerden te komen, is overduidelijk gebleken dat de pluraliteit een onopgeefbaar beginsel in de nieuwe kerk is. Derhalve menen wij dat we in de huidige geestelijke strijd duidelijk stelling hebben te nemen tegen het beginsel van de pluraliteit.
Waarde broeder, wij danken u heel hartelijk voor de spiegel
die u ons hebt voorgehouden. Uw woorden brengen ons tot nieuw zelfonderzoek
en ze zijn een vermaning om in ootmoed en afhankelijkheid van de Koning der
kerk te wandelen. Persoonlijk weten we van een geweten dat ons aanklaagt dat
we tegen als Gods geboden zwaar en menigmaal hebben misdreven. In de zaak van
kerk oefenen we ons echter om voor God en de mensen een goed geweten te hebben.
We stellen ons open voor kritiek in de manier waarop we ons hebben verantwoord.
Uiteraard hebben we ons gericht op de zaken die onder kritiek van Gods Woord
gesteld dienden te worden. Dat brengt vanzelf een bepaalde eenzijdigheid met
zich mee. U beweert echter dat
wij dingen hebben gezegd die niet gezegd mochten worden. We zijn ons ervan bewust
dat we in onze woorden struikelen. In alle bescheidenheid menen we nochtans
dat we van de inhoudelijke kritiek vanuit het Woord op de PKN niets terug hoeven
te nemen. Indien u ons kunt aangeven waarin wij verkeerde dingen hebben gezegd,
zijn we van heler harte bereid ons kwetsbaar op te stellen en onze fouten te
erkennen..
Het is met grote pijn dat we constateren dat we als broeders van hetzelfde huis
op grond van dezelfde kritiek op de grondleggende artikelen en het geheel van
de kerkorde van de PKN tot verschillende conclusies komen. Terwijl we innerlijk
dichtbij elkaar staan, gaan onze wegen door het synodebesluit van buitenaf nochtans
uiteen. Moge de innerlijke broederlijke liefde desondanks blijven en extra diep
worden gevoeld. Geve de Heere ons die grote genade dat we in ootmoedigheid de
ander uitnemender achten dan onszelf. We verblijven onderwijl met de meest broederlijke
groet,
namens het Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk,
W. van Vlastuin
Zie ook
Brief van ds. Kieskamp aan het Comite

Ga naar | Dossier SOW | Over
GB en Comite |