ORDINANTIE 11 DE VERMOGENSRECHTELIJKE
AANGELEGENHEDEN
I. DE VERMOGENSRECHTELIJKE AANGELEGENHEDEN VAN
DE GEMEENTE
Artikel 1. Algemeen
1. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente
berust bij de ker-kenraad.
2. De kerkenraad vertrouwt de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden
van de gemeente van niet-diaconale aard toe aan het college van kerkrentmeesters
en die van di-aconale aard aan het college van diakenen.
3. Het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen stemmen
hun beleid af op het beleid van de kerkenraad inzake het gehele leven
en werken van de gemeente. Zij doen ver-slag van hun werkzaamheden aan
de kerkenraad.
Artikel 2. Het college van kerkrentmeesters
1. De ouderlingen die in het bijzonder zijn aangewezen tot kerkrentmeester
vormen tezamen met de kerkrentmeesters als bedoeld in lid 3 het college
van kerkrentmeesters.
2. Het college van kerkrentmeesters bestaat uit ten minste drie leden.
De meerderheid van het college van kerkrentmeesters bestaat uit ouderlingen-kerkrent¬meesters.
3. De kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, worden door de kerkenraad
uit de leden van de gemeente benoemd nadat hun namen zijn voorgedragen
aan de gemeente om haar goedkeu-ring te verkrijgen. Zij kunnen in de gemeente
niet tegelijkertijd een ambt dragen.
4. Ten aanzien van de kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, is van
overeenkomstige toe-passing hetgeen voor ambtsdragers bepaald is ter zake
van de zittingstijd, de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de benoeming,
het opzicht en de behandeling van bezwaren en ge-schillen.
5. Het college van kerkrentmeesters wijst uit zijn midden een voorzitter,
een secretaris en een penningmeester aan.
De voorzitter is een van de ouderlingen-kerkrentmeester.
Het college van kerkrentmeesters draagt er zorg voor dat de boekhouding
en het middelenbe-heer niet in één hand zijn.
6. Indien aan de besluitvorming van het college van kerkrentmeesters minder
dan drie leden deelnemen, is een besluit van het college slechts rechtsgeldig,
a. wanneer, bij deelname door twee kerkrentmeesters, één
ambtsdrager, daartoe aangewe-zen door de kerkenraad, aan de besluitvorming
heeft deelgenomen en
b. wanneer, bij deelname door één kerkrentmeester, twee
ambtsdragers, daartoe aangewe-zen door de kerkenraad, aan de besluitvorming
hebben deelgenomen.
7. Het college van kerkrentmeesters heeft tot taak:
a. het in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad scheppen
en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor
het leven en werken van de gemeente door:
- het meewerken aan de totstandkoming van het beleidsplan, de begroting
en de jaar-rekening van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in ordinantie
4-7-1 en het bepaalde in de artikelen 6 en 7;
- het zorg dragen voor de geldwerving;
- het zorg dragen voor het beschikbaar zijn van ruimten voor de eredienst
en de ande-re activiteiten van de gemeente;
en voorts
b. het beheren van de goederen van de gemeente;
c. het verzorgen van het, in het beleidsplan en de begroting geformuleerde,
personeelsbe-leid;
d. het zorgdragen voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden van hen die
krachtens ar-beidsovereenkomst bij de gemeente werkzaam zijn op niet-diaconaal
terrein;
e. het fungeren als opdrachtgever van kosters en beheerders van gebouwen
en ander behe-rend en administratief personeel dat op arbeidsovereenkomst
in dienst van de gemeente werkzaam is;
f. het bijhouden van de registers van de gemeente, het doopboek, het belijdenisboek
en - indien aanwezig - het trouwboek;
g. het beheren van de archieven van de gemeente;
h. het beheren van de verzekeringspolissen.
Met het oog op deze taak kan de ouderling-kerkrentmeester worden vrijgesteld
van
- het toerusten van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en
missionaire roe-ping en
- de herderlijke zorg.
8. Het college van kerkrentmeesters blijft bij het beheren van en beschikken
over de aan hem toevertrouwde vermogenrechtelijke aangelegenheden van
de gemeente binnen de grenzen van het door de kerkenraad vastgestelde
beleidsplan en van de door de kerkenraad vastge-stelde begroting.
9. De volgende rechtshandelingen behoeven vooraf de instemming van de
kerkenraad:
- het verkrijgen, bouwen, ingrijpend verbouwen, uitbreiden of restaureren,
verhuren, bezwa-ren, verkopen of op andere wijze vervreemden en afbreken
van een gebouw of een orgel, beide in gebruik ten behoeve van de eredienst
of anderszins van belang voor het leven en werken van de gemeente;
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting
is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het oprichten van of deelnemen aan een stichting;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van
overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te
brengen.
10. De kerkenraad neemt alleen in overleg met het college van kerkrentmeesters
beslissingen op niet-diaconaal terrein waaraan voor de gemeente financiële
gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastgestelde begroting zijn voorzien.
Artikel 3. Het college van diakenen
1. De diakenen vormen tezamen het college van diakenen. Het college van
diakenen bestaat uit ten minste drie leden.
2. Het college van diakenen wijst uit zijn midden een voorzitter, een
secretaris en een penning-meester aan. Het college van diakenen draagt
er zorg voor dat de boekhouding en het midde-lenbeheer niet in één
hand zijn.
3. Indien aan de besluitvorming van het college van diakenen minder dan
drie leden deelnemen, is een besluit van het college slechts rechtsgeldig,
a. wanneer, bij deelname door twee diakenen, één ambtsdrager,
daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming heeft deelgenomen
en
b. wanneer, bij deelname door één diaken, twee ambtsdragers,
daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming hebben deelgenomen.
4. Het college van diakenen heeft tot taak:
a. het in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad scheppen
en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor
de door de gemeente te verrichten dia-conale dienst door:
- het meewerken aan de totstandkoming van het beleidsplan, de diaconale
begroting en de diaconale jaarrekening overeenkomstig het bepaalde in
ordinantie 4-7-1 en het be-paalde in de artikelen 6 en 7;
- het zorg dragen voor de geldwerving ten behoeve van de diaconale arbeid
van de gemeente;
en voorts
b. het beheren van de goederen van de diaconie;
c. het verzorgen van het, in het beleidsplan en de diaconale begroting
geformuleerde, per-soneelsbeleid;
d. het zorgdragen voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden van hen die
krachtens ar-beidsovereenkomst bij de diaconie werkzaam zijn;
e. het fungeren als opdrachtgever van hen die op arbeidsovereenkomst in
de gemeente op diaconaal terrein werkzaam zijn;
f. het beheren van verzekeringspolissen.
5. Het college van diakenen blijft bij het beheren van en beschikken over
de aan hem toever-trouwde vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen
de grenzen van het door de kerken-raad vastgestelde beleidsplan en de
door de kerkenraad vastgestelde begroting.
6. De volgende rechtshandelingen behoeven vooraf de instemming van de
kerkenraad:
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting
is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het oprichten van of deelnemen aan een stichting;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van
overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te
brengen.
7. Het college van diakenen is bevoegd diaconale steun te verlenen aan
personen, organen, kassen, fondsen, instellingen en rechtspersonen in
binnen- en buitenland.
Uitsluitend in zeer bijzondere gevallen, zulks ter beoordeling van het
regionale college voor de behandeling van beheerszaken en nadat ter zake
toestemming is verkregen van dit colle-ge, kan het college van diakenen
besluiten diaconale gelden beschikbaar te stellen voor niet-diaconaal
werk van de gemeente.
8. De kerkenraad neemt alleen in overleg met het college van diakenen
beslissingen waaraan voor de diaconie van de gemeente financiële
gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastge-stelde begroting zijn voorzien.
Artikel 4. Vermogensrechtelijke aangelegenheden
van gemeenten met wijkgemeenten
1. Waar een gemeente wijkgemeenten heeft, dient in deze ordinantie in
plaats van kerkenraad gelezen te worden algemene kerkenraad.
2. In een gemeente met wijkgemeenten vormen de kerkrentmeesters die lid
zijn van een wijk-kerkenraad tezamen met de andere kerkrentmeesters die
benoemd zijn door de wijkkerken-raad, de wijkraad van kerkrentmeesters.
De kerkrentmeesters die lid zijn van de algemene kerkenraad, vormen tezamen
met de kerkrentmeesters die daartoe op gezamenlijke voor-dracht van de
wijkraden van kerkrentmeesters door de algemene kerkenraad zijn benoemd,
het college van kerkrentmeesters.
3. In overleg met de algemene kerkenraad kan het college van kerkrentmeesters,
naast de zorg voor het kerkgebouw en de goede gang van zaken daarin tijdens
de kerkdiensten, de verzor-ging van bepaalde vermogensrechtelijke aangelegenheden
van de gemeente van niet-diaconale aard toevertrouwen aan de wijkraden
van kerkrentmeesters. Een en ander ge-schiedt met inachtneming van het
bepaalde in ordinantie 4-9-4.
4. In een gemeente met wijkgemeenten vormen de diakenen die lid zijn van
een wijkkerkenraad, de wijkraad van diakenen. De diakenen die lid zijn
van de algemene kerkenraad, vormen te-zamen met de diakenen die daartoe
op gezamenlijke voordracht van de wijkraden van diake-nen door de algemene
kerkenraad zijn benoemd, het college van diakenen.
5. In overleg met de algemene kerkenraad kan het college van diakenen
de verzorging van be-paalde vermogensrechtelijke aangelegenheden van de
gemeente van diaconale aard toever-trouwen aan de wijkraden van diakenen.
Een en ander geschiedt met inachtneming van het bepaalde in ordinantie
4-9-4.
6. Wanneer een gemeente uit minder dan vier wijkgemeenten bestaat, kan
de algemene kerken-raad, met instemming van de wijkkerkenraden, besluiten
geen wijkraden van kerkrentmees-ters in te stellen. Wanneer geen wijkraden
zijn ingesteld, bestaat het college van kerkrent-meesters uit alle kerkrentmeesters
van de gemeente en worden de kerkrentmeesters die geen ouderling zijn
benoemd door de algemene kerkenraad.
Artikel 5. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging
1. De gemeente heeft rechtspersoonlijkheid.
De gemeente wordt in vermogensrechtelijke aangelegenheden van niet-diaconale
aard verte-genwoordigd door de voorzitter en de secretaris van het college
van kerkrentmeesters teza-men. Het college van kerkrentmeesters wijst
voor elk van beiden uit zijn midden of uit de ker-kenraad een plaatsvervanger
aan.
Waar een streekgemeente is gevormd, hebben zowel de streekgemeente als
de gemeenten die tezamen de streekgemeente vormen, rechtspersoonlijkheid.
Een wijkgemeente en een huisgemeente hebben geen rechtspersoonlijkheid.
2. De diaconie van de gemeente heeft rechtspersoonlijkheid. Het college
van diakenen is het bestuur van de diaconie.
De gemeente wordt in vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale
aard vertegen-woordigd door de diaconie. De diaconie van de gemeente wordt
vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris van het college van
diakenen tezamen. Het college van diakenen wijst voor elk van beiden uit
zijn midden of uit de kerkenraad een plaatsvervanger aan.
Waar een streekgemeente is gevormd, hebben zowel de diaconie van de streekgemeente
als de diaconieën van de gemeenten die tezamen de streekgemeente
vormen, rechtspersoonlijk-heid.
3. In alle andere aangelegenheden wordt de gemeente vertegenwoordigd door
de preses en de scriba van de kerkenraad tezamen. De kerkenraad wijst
voor elk van beiden uit zijn midden een plaatsvervanger aan.
Artikel 6. De begrotingen en het collecterooster
1. Elk jaar plegen het college van kerkrentmeesters en het college van
diakenen met de kerken-raad en met alle daarvoor in aanmerking komende
organen van de gemeente overleg over de in samenhang met het door de kerkenraad
vastgestelde beleidsplan op te stellen begrotingen en het collecterooster
van het komende kalenderjaar.
2. Vóór 1 november dienen het college van kerkrentmeesters
en het college van diakenen hun ontwerpbegrotingen bij de kerkenraad in,
vergezeld van een door hen in onderling overleg opgesteld gemeenschappelijk
ontwerpcollecterooster.
3. Indien de kerkenraad wijzigingen wil aanbrengen in de ontwerpbegrotingen
overlegt hij met het betrokken college over de voorgenomen wijziging.
Indien over de wijziging geen overeen-stemming wordt verkregen, vraagt
de kerkenraad bemiddeling van het regionale college voor de behandeling
van beheerszaken. Eerst na bemiddeling van het regionale college neemt
de kerkenraad een definitief besluit.
4. Nadat de kerkenraad de begrotingen voorlopig heeft vastgesteld, worden
deze in samenvat-ting in de gemeente gepubliceerd en tevens gedurende
een week in haar geheel voor de le-den van de gemeente ter inzage gelegd.
De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening
over de begrotingen kenbaar te maken op de wijze die in de regeling voor
de wijze van werken van de kerkenraad is aangegeven. Daarna stelt de kerkenraad
de begrotingen en het collecterooster vast.
5. Indien een kerkenraad wijzigingen wil aanbrengen in de vastgestelde
begroting is het bepaal-de in lid 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7. De jaarrekeningen
1. Het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen leggen
elk jaar vóór 1 mei hun ontwerpjaarrekeningen over het laatstverlopen
kalenderjaar aan de kerkenraad voor.
2. Deze jaarrekeningen worden in haar geheel of in samenvatting in de
gemeente gepubliceerd en tevens gedurende een week in haar geheel voor
de leden van de gemeente ter inzage ge-legd. De kerkenraad stelt de leden
van de gemeente in de gelegenheid hun mening over de jaarrekeningen kenbaar
te maken op de wijze die in de regeling voor de wijze van werken van de
kerkenraad is aangegeven.
3. Daarna stelt de kerkenraad de jaarrekeningen vast, hetgeen strekt tot
decharge van de kerkrentmeesters respectievelijk de diakenen inzake het
door hen gevoerde beheer, tenzij de kerkenraad een voorbehoud maakt, of
het regionale college voor de behandeling van be-heerszaken nader overleg
wenst.
4. Elk jaar wordt vóór de vaststelling van de jaarrekeningen
de financiële administratie van de gemeente en van de diaconie gecontroleerd
door een door de kerkenraad aan te wijzen certi-ficerend accountant of
twee andere onafhankelijke deskundigen.
Artikel 8. Betrokkenheid van het regionale college
voor de behandeling van beheerszaken
1. De kerkenraad legt elk jaar
- vóór 15 december de begrotingen voor het komende kalenderjaar
met - ter informatie bij-gevoegd - het beleidsplan en
- vóór 15 juni de jaarrekeningen over het laatstverlopen
kalenderjaar met het rapport van de gehouden controle
aan het regionale college voor de behandeling van beheerszaken voor.
De kerkenraden van de evangelisch-lutherse gemeenten zenden deze jaarstukken
tevens toe aan de financiële commissie van de evangelisch-lutherse
synode.
2. Na ontvangst van de begrotingen en jaarrekeningen kan het regionale
college voor de behan-deling van beheerszaken met de kerkenraad in overleg
treden over wijziging of aanvulling van een begroting of jaarrekening.
Ten aanzien van de begrotingen deelt het regionale college binnen zes
weken na ontvangst daarvan aan de kerkenraad mee of het college zulk overleg
nodig vindt.
3. Het college van kerkrentmeesters of het college van diakenen is eerst
na voorafgaande toe-stemming van het regionale college bevoegd tot:
- het op ingrijpende wijze verbouwen, uitbreiden of restaureren, verkopen
of op andere wij-ze vervreemden en afbreken van een kerkgebouw of een
orgel, vermeld op de door het regionale college bij te houden lijst van
gebouwen en orgels van cultuurhistorische of ar-chitectonische waarde
en het verkopen of op andere wijze vervreemden en bezwaren van voorwerpen
van oudheidkundige, historische of kunstwaarde;
- het aangaan van een overeenkomst met financiële gevolgen met een
lid van het college van kerkrentmeesters, een lid van het college van
diakenen of een van de andere leden van de kerkenraad alsmede personen
die in dienst staan van de gemeente;
- het beschikbaar stellen van diaconale gelden voor niet diaconaal werk
van de gemeente;
- het oprichten van of het deelnemen aan een stichting.
Erfenissen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
4. In de gevallen dat voor het verrichten van een rechtshandeling geen
toestemming vereist is van het regionale college, verstrekt het regionale
college desgevraagd een verklaring dat het college van kerkrentmeesters
of het college van diakenen geen toestemming nodig heeft van het regionale
college voor het verrichten van de betreffende rechtshandeling.
5. Ten behoeve van een goede uitoefening van de taak van het regionale
college verschaffen het college van kerkrentmeesters en het college van
diakenen aan het college de inlichtingen en gegevens waar het om vraagt
en stellen zij het college op de hoogte van besluiten waar-aan voor de
gemeente financiële gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastgestelde
begro-ting zijn voorzien.
Artikel 9. Betrokkenheid van het regionale college
voor de behandeling van beheerszaken in bijzondere situaties
1. In die gevallen waarin de begrotingen en de jaarrekeningen niet zijn
ingezonden of wanneer het overleg als bedoeld in artikel 8-2 niet heeft
geleid tot het vaststellen van een - naar het oordeel van het regionale
college voor de behandeling van beheerszaken - verantwoorde be-groting
of jaarrekening van de gemeente of van de diaconie, kan het regionale
college - onder met redenen omklede mededeling daarvan aan de kerkenraad
- besluiten dat het college van kerkrentmeesters of het college van diakenen
eerst na voorafgaande toestemming van het regionale college bevoegd is
tot:
- het kopen, verkopen, verhuren, verpachten of op andere wijze vervreemden
en bezwaren van onroerende zaken en geldswaardige papieren, alsmede het
bouwen, verbouwen, uit-breiden, restaureren of afbreken van een gebouw
of een orgel;
- het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
- het verstrekken of aangaan van geldleningen en het stellen van persoonlijke
zekerheid ten behoeve van derden voorzover daarin niet bij vastgestelde
begroting is voorzien;
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting
is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van
overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te
brengen.
2. Voor het oordeel als bedoeld in lid 1, dat er niet van een verantwoorde
begroting of jaarreke-ning sprake is, is de instemming vereist van het
breed moderamen van de classicale vergade-ring.
Artikel 10. Beroep op het regionale college voor
de behandeling van beheerszaken
1. De kerkenraad, het college van kerkrentmeesters of het college van
diakenen kunnen bezwa-ren tegen een besluit op het gebied van de vermogensrechtelijke
aangelegenheden van de gemeente of van de diaconie, genomen door een van
de beide andere genoemde lichamen, inbrengen bij het regionale college
voor de behandeling van beheerszaken.
Onder een zodanig besluit wordt mede verstaan een handeling of een verzuim.
De bedoelde bezwaren dienen ingediend te worden binnen dertig dagen na
de dag waarop de beslissing werd verzonden of na de dag waarop daarvan
redelijkerwijze kennis kon worden genomen.
II. DE VERMOGENSRECHTELIJKE AANGELEGENHEDEN VAN
DE CLASSIS
Artikel 11. De financiën van de classis
1. De classicale vergadering is bevoegd de vergader- en administratiekosten
van de classicale vergadering, van haar breed moderamen, van haar organen
van bijstand en van de werkge-meenschappen van predikanten om te slaan
over de tot de classis behorende gemeenten.
2. De verzorging van deze financiën vertrouwt de classicale vergadering
toe aan een penning-meester die door de classicale vergadering wordt benoemd.
Deze kan als adviserend lid de bijeenkomsten van de classicale vergadering,
haar breed moderamen en haar moderamen bijwonen.
3. Elk jaar legt de penningmeester in de laatste bijeenkomst van het jaar
een ontwerpbegroting voor van de kosten van het komende jaar. De classicale
vergadering stelt deze begroting vast.
4. De penningmeester legt elk jaar vóór 1 mei de ontwerpjaarrekening
over het laatstverlopen kalenderjaar aan de classicale vergadering voor.
In de ontwerpjaarrekening is in voorkomen-de gevallen een overzicht opgenomen
van de inkomsten en uitgaven van de ringverbanden.
De classicale vergadering stelt deze jaarrekening vast, hetgeen strekt
tot decharge van de penningmeester inzake het door deze gevoerde beheer,
tenzij de classicale vergadering een voorbehoud maakt.
5. Elk jaar wordt vóór de vaststelling van de jaarrekening
de financiële administratie van de classis gecontroleerd door twee
door het breed moderamen van de classicale vergadering aan te wijzen onafhankelijke
deskundigen.
Artikel 12. De financiële commissie van de
classicale vergadering
1. Indien de classis andere inkomsten en uitgaven heeft dan de in artikel
11 bedoelde, laat de classicale vergadering zich voor de verzorging van
de vermogensrechtelijke aangelegenhe-den van de classis bijstaan door
de financiële commissie van de classicale vergadering.
2. De leden van de commissie worden benoemd door de classicale vergadering.
Zij worden benoemd voor de tijd van vier jaar. Zij kunnen eenmaal voor
een aansluitende pe-riode van vier jaar worden herbenoemd.
De commissie wijst uit haar midden een voorzitter, een secretaris en een
penningmeester aan.
3. De commissie werkt in overleg met en in verantwoording aan de classicale
vergadering.
De commissie beheert de aan haar zorg toevertrouwde vermogensrechtelijke
aangelegenhe-den van de classis en blijft daarbij binnen de grenzen van
de door de classicale vergadering vastgestelde begroting.
4. De classicale vergadering en haar breed moderamen nemen geen beslissingen
waaraan voor de classis financiële gevolgen verbonden zijn welke
niet bij vastgestelde begroting zijn voor-zien, dan na overleg met de
financiële commissie van de classicale vergadering.
De classis gaat alleen financiële verplichtingen aan, indien zij,
blijkens een verklaring van het regionale college voor de behandeling
van beheerszaken in staat is aan haar financiële ver-plichtingen
te voldoen.
5. De financiële commissie pleegt elk jaar met het breed moderamen
van de classicale vergade-ring en met alle daarvoor in aanmerking komende
organen van de classis overleg over de begroting van het komende kalenderjaar.
6. De financiële commissie legt elk jaar in de laatste bijeenkomst
van het jaar een ontwerpbegro-ting van het komende jaar voor van de in
dit artikel bedoelde inkomsten en uitgaven. De clas-sicale vergadering
stelt deze begroting vast.
7. De financiële commissie legt elk jaar vóór 1 mei
de ontwerpjaarrekening over het laatstverlo-pen kalenderjaar aan de classicale
vergadering voor. In de ontwerpjaarrekening is in voorko-mende gevallen
een overzicht opgenomen van de inkomsten en uitgaven van de ringverban-den.
De classicale vergadering stelt deze jaarrekening vast, hetgeen strekt
tot decharge van de financiële commissie inzake het door haar gevoerde
beheer, tenzij de classicale vergadering een voorbehoud maakt.
8. Elk jaar wordt vóór de vaststelling van de jaarrekening
de financiële administratie van de clas-sis gecontroleerd door een
door het breed moderamen van de classicale vergadering aan te wijzen certificerend
accountant of door twee andere onafhankelijke deskundigen.
Artikel 13. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging
1. De classis heeft rechtspersoonlijkheid.
Zij wordt vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de classicale
vergadering teza-men. Het breed moderamen van de classicale vergadering
wijst voor elk van beiden een plaatsvervanger aan.
Artikel 14. Betrokkenheid van het regionale college
voor de behandeling van beheerszaken
1. Indien de classis andere inkomsten en uitgaven heeft dan de in artikel
11 bedoelde, legt de classicale vergadering elk jaar vóór
15 december de begroting voor het komende kalenderjaar en vóór
15 juni de jaarrekening over het laatstverlopen kalenderjaar met het rapport
van de gehouden controle aan het regionale college voor de behandeling
van beheerszaken voor.
2. Na ontvangst van de begroting of de jaarrekening kan het regionale
college voor de behande-ling van beheerszaken met het breed moderamen
van de classicale vergadering in overleg treden over wijziging of aanvulling
van deze stukken. Ten aanzien van de begroting deelt het regionale college
binnen zes weken na ontvangst daarvan aan het breed moderamen van de classicale
vergadering mee of het zulk overleg nodig vindt.
3. In die gevallen waarin de begroting en de jaarrekening niet zijn ingezonden
of wanneer het overleg als bedoeld in lid 2 niet heeft geleid tot het
vaststellen van een - naar het oordeel van het regionale college voor
de behandeling van beheerszaken - verantwoorde begroting of jaarrekening,
kan het regionale college - onder met redenen omklede mededeling daarvan
aan de classicale vergadering - besluiten dat de classicale vergadering
eerst na voorafgaande toestemming van het regionale college bevoegd is
tot:
- het verkopen, verhuren of verpachten of op andere wijze vervreemden
of bezwaren van onroerende zaken;
- het verstrekken van geldleningen;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van
overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te
brengen.
4. In alle gevallen geldt dat de classicale vergadering eerst na voorafgaande
toestemming van het regionale college bevoegd is tot
- het aangaan van een overeenkomst met financiële gevolgen met een
lid van de financiële commissie van de classicale vergadering;
- het oprichten van of het deelnemen aan een stichting.
Erfenissen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
5. In de gevallen dat voor het verrichten van een rechtshandeling geen
toestemming vereist is van het regionale college, verstrekt het regionale
college desgevraagd een verklaring dat de classicale vergadering geen
toestemming nodig heeft van het regionale college voor het ver-richten
van de betreffende rechtshandeling.
6. Ten behoeve van een goede uitoefening van de taak van het regionale
college verschaft de financiële commissie van de classicale vergadering
aan het college de inlichtingen en gege-vens waar het om vraagt.
III. DE VERMOGENSRECHTELIJKE AANGELEGENHEDEN VAN
DE EVANGELISCH-LUTHERSE SYNODE
Artikel 15. De financiële commissie van de evangelisch-lutherse synode
1. De evangelisch-lutherse synode laat zich bijstaan door haar financiële
commissie.
2. De financiële commissie wordt gevormd door ten minste drie door
de synode uit haar midden daartoe benoemde leden.
De leden van de financiële commissie worden benoemd voor de tijd
van vier jaar.
Zij kunnen eenmaal voor een aansluitende periode van vier jaar worden
herbenoemd.
De financiële commissie wijst uit haar midden een voorzitter en een
secretaris aan.
3. De financiële commissie werkt in overleg met en in verantwoording
aan de evangelisch-lutherse synode respectievelijk de synodale commissie.
De financiële commissie overlegt met de evangelisch-lutherse synode
en haar organen over de financiën die voor het werk van de evangelisch-lutherse
synode noodzakelijk zijn en doet voorstellen aan de evangelisch-lutherse
synode met betrekking tot het in artikel 20-1 bedoelde begrotingsoverleg.
De financiële commissie is betrokken bij het toezien op de zorg voor
de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse gemeenten.
Artikel 16. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging
1. De evangelisch-lutherse synode heeft rechtspersoonlijkheid.
Zij wordt vertegenwoordigd door haar president en haar eerste secretaris
tezamen. De syno-dale commissie wijst voor elk van beiden uit haar midden
een plaatsvervanger aan.
Artikel 17. Betrokkenheid van de kleine synode
1. Eerst na instemmend advies van de kleine synode is de evangelisch-lutherse
synode bevoegd tot
- het bouwen, verbouwen, kopen, verkopen, verhuren of verpachten of op
andere wijze vervreemden of bezwaren van onroerende zaken;
- het verrichten van rechtshandelingen waarbij de financiële gevolgen
een door de kleine synode vast te stellen bedrag te boven gaan;
- het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
- het aangaan van een overeenkomst met financiële gevolgen met een
lid van de financiële commissie;
- het verstrekken of aangaan van geldleningen en het stellen van persoonlijke
zekerheid ten behoeve van derden;
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting
is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het oprichten van of deelnemen aan een stichting;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van
overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te
brengen.
Erfenissen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
IV. DE GENERALE FINANCIËN VAN DE KERK
Artikel 18. De verzorging van de generale financiën
1. De generale synode laat zich voor de verzorging van de generale financiën
van de kerk bij-staan door het bestuur van de dienstenorganisatie.
2. Het bestuur van de dienstenorganisatie beheert de aan zijn zorg toevertrouwde
vermogens-rechtelijke aangelegenheden en blijft daarbij binnen de grenzen
van de door de kleine synode vastgestelde begroting.
3. De generale synode en de kleine synode nemen geen beslissingen waaraan
voor de kerk financiële gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastgestelde
begroting zijn voorzien, dan na overleg met het bestuur van de dienstenorganisatie.
Artikel 19. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging
1. De kerk heeft rechtspersoonlijkheid.
Zij wordt vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de generale
synode tezamen. De kleine synode wijst voor elk van beiden uit haar midden
een plaatsvervanger aan.
Artikel 20. Begroting en jaarrekening
1. Elk jaar pleegt het bestuur van de dienstenorganisatie met de kleine
synode, de evangelisch-lutherse synode en de algemene classicale vergaderingen
overleg over de in samenhang met het door de generale synode vastgestelde
beleidsplan op te stellen begroting van het komen-de kalenderjaar.
2. Vóór 15 november dient het bestuur van de dienstenorganisatie
een ontwerpbegroting bij de kleine synode in.
3. De begroting wordt vastgesteld door de kleine synode.
De kleine synode is ten behoeve van de financiering van de arbeid van
de kerk bevoegd tot het heffen van een quotum van de gemeenten en van
de diaconieën en tot het vaststellen van door de gemeenten te houden
collecten.
4. Het bestuur van de dienstenorganisatie legt elk jaar vóór
1 mei de ontwerpjaarrekening over het laatstverlopen kalenderjaar aan
de kleine synode voor.
5. De jaarrekening wordt vastgesteld door de kleine synode, hetgeen strekt
tot decharge van het bestuur van de dienstenorganisatie ter zake van het
door hem gevoerde beheer, tenzij de kleine synode een voorbehoud maakt.
6. Elk jaar wordt vóór de vaststelling van de jaarrekening
de administratie van de generale fi-nanciën van de kerk gecontroleerd
door een door de kleine synode aan te wijzen certificerend accountant.
V. HET TOEZIEN OP DE ZORG VOOR DE VERMOGENSRECHTELIJKE
AANGE¬LEGEN¬HEDEN
Artikel 21. Het regionale college voor de behandeling van beheerszaken
1. Er zijn evenveel regionale colleges voor de behandeling van beheerszaken
als er algemene classicale vergaderingen zijn.
Het rechtsgebied van een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken
omvat de classes waarvan de classicale vergaderingen samenwerken in de
algemene classicale verga-dering die het college benoemt.
2. Een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken bestaat
uit ten minste zeven leden, benoemd door de algemene classicale vergadering
uit de leden van de kerk binnen het rechtsgebied van het college nadat
de betrokken classicale vergaderingen in de gelegenheid zijn gesteld aanbevelingen
in te dienen. De algemene classicale vergadering ziet erop toe dat kennis
van het diaconale werkterrein voldoende aanwezig is binnen het college.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen eenmaal
voor een aan-sluitende periode van vier jaar worden herbenoemd.
De algemene classicale vergadering wijst de voorzitter aan.
3. De leden van een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken
nemen niet deel aan de beoordeling van stukken bij de opstelling waarvan
zij op enigerlei wijze betrokken zijn, en bij de behandeling van zaken
waarbij zij enigerlei belang hebben of kunnen hebben.
Artikel 22. Arbeidsveld
1. Een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken
heeft tot taak het toezien op de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden
van de gemeenten, de diaconieën en de classes binnen zijn rechtsgebied.
2. Dit toezien heeft betrekking op:
- de begroting;
- de jaarrekening en de deugdelijkheid van de controle op de financiële
administratie;
- de financiële situatie van de gemeente of de classis voordat overgegaan
wordt tot het be-roepen van een predikant;
- het beheer van en beschikken over onroerende zaken, geldswaardige papieren
en voor-werpen van oudheidkundige, historische of kunstwaarde;
- het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd;
- het verstrekken of aangaan van geldleningen;
- het doen van beleggingen;
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting
is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het oprichten van of deelnemen aan stichtingen;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van
overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te
brengen;
- het inrichten en bijhouden van de registers van gemeenteleden;
- het beheer van archieven en
- andere in de orde van de kerk aangegeven beheersdaden.
3. Het regionale college bemiddelt wanneer een kerkenraad en een college
van kerkrentmees-ters of een college van diakenen geen overeenstemming
kunnen bereiken over de vaststelling van de begroting.
4. Het regionale college doet een uitspraak wanneer een kerkenraad of
een college van kerkrentmeesters of een college van diakenen bezwaar inbrengt
tegen een besluit van een van de beide andere lichamen met betrekking
tot de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente of van de
diaconie, indien het bezwaar door bemiddeling niet kan worden weggenomen.
5. Het kerkelijk lichaam dat zich bezwaard gevoelt over een besluit of
uitspraak van het regiona-le college voor de behandeling van beheerszaken
kan - indien zulk een kerkelijk lichaam meent door dit besluit in zijn
werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid te zijn getroffen
- in beroep gaan bij het generale college voor de behandeling van bezwaren
en ge-schillen.
6. De behandeling van een bezwaar respectievelijk beroep als bedoeld in
lid 4 respectievelijk lid 5 geschiedt met inachtneming van het in ordinantie
12 en in de generale regeling voor de ker-kelijke rechtspraak bepaalde.
Artikel 23. Werkwijze
1. Inzake het aankopen, bouwen, verbouwen, uitbreiden, restaureren, verkopen
of afbreken van een gebouw of een orgel, als bedoeld in artikel 8-3, spreekt
het regionale college zich eerst uit nadat het ter zake advies heeft gekregen
van de daartoe door de generale synode aangewe-zen organen.
2. Betreffende de vermogensrechtelijke aangelegenheden van een evangelisch-lutherse
ge-meente spreekt het regionale college zich eerst uit nadat het ter zake
tevens advies heeft ge-kregen van de financiële commissie van de
evangelisch-lutherse synode.
3. Het regionale college voor de behandeling van beheerszaken maakt in
voorkomende gevallen zijn mening kenbaar aan de belanghebbende instanties.
Het college handelt de hem voorge-legde zaken zo mogelijk binnen een maand
af.
4. Het regionale college brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden
aan de algemene classicale vergadering en voorzover deze werkzaamheden
evangelisch-lutherse gemeenten of diaconieën betreffen aan de evangelisch-lutherse
synode.
Artikel 24. Het generale college voor onderzoek
van beheerszaken
1. Er is een generaal college voor onderzoek van beheerszaken.
2. Het generale college bestaat uit ten minste elf leden, benoemd door
de generale synode uit de leden van de kerk.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen eenmaal
voor een aan-sluitende periode van vier jaar worden herbenoemd.
De generale synode wijst de voorzitter aan.
3. Het lidmaatschap van het generale college is onverenigbaar met het
lidmaatschap van een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken,
van de financiële commissie van de evangelisch-lutherse synode en
van het bestuur van de dienstenorganisatie evenals met het functioneren
als bezoldigd medewerker van de dienstenorganisatie.
Artikel 25. Arbeidsveld
1. Het generale college voor onderzoek van beheerszaken heeft tot taak
om gevraagd of - in overleg met het moderamen van de generale synode en
het bestuur van de dienstenorganisa-tie - ongevraagd een onderzoek in
te stellen naar de doelmatigheid van het door de generale synode en de
kleine synode gevoerde financiële beleid en beheer.
2. Het generale college doet verslag van zijn bevindingen aan de generale
synode.
VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 26. Kerkelijke instellingen
1. De generale synode is bevoegd voor de uitvoering - geheel of gedeeltelijk
- van taken, die behoren tot de arbeid van de kerk, een kerkelijke instelling
in het leven te roepen die - als zelfstandig onderdeel van de kerk - rechtspersoonlijkheid
bezit.
2. Een kerkelijke instelling als bedoeld in lid 1 kan door de generale
synode bij generale regeling worden opgericht.
3. Deze generale regeling bevat in ieder geval:
- een omschrijving van de taken, waarvoor de instelling is opgericht,
- een regeling voor de samenstelling, taken en bevoegdheden van het bestuur
van de in-stelling waarvan de leden door de generale synode worden benoemd
en
- een regeling omtrent de verhouding van de instelling tot de kerk, in
het bijzonder tot de generale synode.
4. De generale synode is bevoegd een kerkelijke instelling - gehoord het
bestuur van de desbe-treffende instelling - op te heffen onder regeling
van de (rechts)gevolgen daarvan.
Artikel 27. Stichtingen
1. Een gemeente, een diaconie, een classis of de evangelisch-lutherse
synode mag in voorko-mende gevallen taken, bevoegdheden, rechten of verplichtingen
uitsluitend overdragen aan een stichting als bedoeld in artikel 2:285
Burgerlijk Wetboek, voorzover in de ordinanties niet anders is bepaald.
De kerk mag in voorkomende gevallen taken, bevoegdheden, rechten of verplichtingen
uit-sluitend overdragen aan een stichting als bedoeld in artikel 2:285
Burgerlijk Wetboek of een besloten vennootschap als bedoeld in artikel
2:175 Burgerlijk Wetboek.
Wanneer de kerk gebruik maakt van de mogelijkheden van een besloten vennootschap
is het bepaalde in de leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing.
2. Een stichting als bedoeld in lid 1 mag uitsluitend in het leven geroepen
worden wanneer vast staat dat de daarbij op het spel staande belangen
alleen door een stichting voldoende kunnen worden behartigd.
3. Bij het in het leven roepen van een nieuwe of het deelnemen aan een
bestaande stichting als bedoeld in artikel 2:285 Burgerlijk Wetboek dient
een gemeente, een diaconie, een classis, de evangelisch-lutherse synode
of de kerk zich te houden aan hetgeen bij generale regeling ten aanzien
van stichtingen wordt bepaald.
Artikel 28. Aansprakelijkheid van beheerders
1. De leden van een beherend kerkelijk lichaam zijn tegenover de desbetreffende
kerkelijke rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de
hen opgedragen taak.
2. De leden zijn gezamenlijk aansprakelijk ter zake van een tekortkoming,
tenzij deze niet aan een lid is te wijten en deze niet nalatig is geweest
in het treffen van maatregelen om de gevol-gen daarvan af te wenden, onverminderd
ieders aansprakelijkheid naar burgerlijk recht.
3. De kleine synode kan de beherende kerkelijke lichamen de verplichting
opleggen zich te ver-zekeren tegen financiële onregelmatigheden.
|
 |