ORDINANTIE 13 DE OPLEIDING EN VORMING
VAN PREDIKANTEN
I. OPLEIDING EN VORMING
Artikel 1. De zorg voor de opleiding en vorming
1. De generale synode wordt bij haar voortdurende zorg voor de opleiding
en vorming van de predikanten bijgestaan door organen van de kerk die
op dit terrein werkzaam zijn, in het bij-zonder de raad van toezicht voor
het theologisch wetenschappelijk onderwijs.
2. De generale synode stelt, gehoord de desbetreffende organen, waaronder
de raad van toe-zicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs,
de vereisten en de eindtermen vast voor de opleiding en vorming van hen
die tot het predikantschap in de kerk worden toegela-ten.
3. Tot de vereisten voor de opleiding van de predikanten behoort de kennis
van de grondtalen van de Heilige Schrift en het Latijn op een door de
generale synode vast te stellen niveau.
4. De opleiding van de predikanten omvat in ieder geval:
de wetenschappelijke bestudering van
- de uitleg en theologie van de Heilige Schrift,
- de geschiedenis van de kerk, in het bijzonder de geschiedenis van de
reformatie en die van de kerken in Nederland,
- de leer en het belijden van de kerk,
- de ethiek,
- de verhouding van de kerk tot andere kerken, godsdiensten en levensbeschouwingen,
- de theorie en praktijk van ambt en gemeente en
- het kerkrecht
alsmede een tijdens de opleiding te volgen stage in een gemeente.
Artikel 2. De instellingen voor de opleiding en
vorming tot predikant
1. De opleiding en vorming van de predikanten vindt plaats bij of aan
universiteiten en seminaria die door de kerk zijn gesticht of aangewezen.
2. De in lid 1 bedoelde universiteiten zijn:
a. de Theologische Universiteit te Kampen en
b. de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht.
3. De in lid 1 bedoelde seminaria zijn:
a. het Evangelisch-Luthers Seminarium te Utrecht en
b. het Theologisch Seminarium Hydepark te Doorn.
4. Ten behoeve van de kerkelijke opleiding bij de theologische faculteiten
aan de in lid 2 sub b genoemde universiteiten is er het Theologisch Wetenschappelijk
Instituut.
5. De Theologische Universiteit te Kampen, het Theologisch Wetenschappelijk
Instituut en het Evangelisch-Luthers Seminarium zijn door de kerk gestichte
instellingen voor theologisch we-tenschappelijk onderwijs. Aan deze instellingen
is tevens opgedragen het verrichten van theo-logisch wetenschappelijk
onderzoek.
6. Ten behoeve van de nadere voorbereiding op het predikantschap en de
nascholing van de predikanten is er het Theologisch Seminarium Hydepark.
7. De door de kerk gestichte instellingen voor theologisch wetenschappelijk
onderwijs enerzijds en het Theologisch Seminarium Hydepark anderzijds
werken samen ten behoeve van de op-leiding en vorming van de predikanten.
Artikel 3. De raad van toezicht voor het theologisch
wetenschappelijk onderwijs
1. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs
heeft tot taak de belan-gen te verzorgen van de opleiding en vorming van
de predikanten, voor zover dit niet aan an-deren is opgedragen en is -
onder verantwoordelijkheid van en in verantwoording aan de ge-nerale synode
- belast met
- de coördinatie van de arbeid die op dit terrein vanwege de kerk
wordt verricht en
- het toezicht op het bestuur van de door de kerk gestichte instellingen
voor theologisch we-tenschappelijk onderwijs,
een en ander met inachtneming van hetgeen overigens in deze ordinantie
en de generale re-geling voor de opleiding en vorming van predikanten
is bepaald.
2. De raad van toezicht is daarbij onder meer belast met:
a. het doen besturen van de door de kerk gestichte instellingen voor theologisch
weten-schappelijk onderwijs door de onderscheiden daartoe ingestelde colleges
van curatoren,
b. het houden van toezicht op de door de kerk gestichte instellingen voor
theologisch weten-schappelijk onderwijs en op het Theologisch Seminarium
Hydepark,
c. het doen van voorstellen die de opleiding en vorming van predikanten
als zodanig dan wel die het geheel van de instellingen voor theologisch
wetenschappelijk onderwijs vanwege de kerk betreffen,
d. het verlenen van voorafgaande goedkeuring ten aanzien van de overeenkomsten
betref-fende de samenwerking met de theologische faculteiten aan de door
de kerk aangewezen universiteiten en het houden van toezicht op de naleving
daarvan,
e. het verlenen van voorafgaande goedkeuring ten aanzien van de overeenkomsten
met de Rijksoverheid betreffende de financiële zaken aan de opleiding
en vorming verbonden en het houden van toezicht op de naleving daarvan,
f. het doen bijhouden van het album van de kerk.
3. De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, die worden benoemd uit
de belijdende leden van de kerk. De leden van de raad van toezicht worden
- met inachtneming van het bepaalde in de generale regeling voor de opleiding
en vorming van predikanten - door of vanwege de ge-nerale synode benoemd,
geschorst en ontslagen.
4. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van
vier jaar en kunnen eenmaal voor een aansluitende periode van vier jaar
worden herbenoemd. Een lid van de raad van toezicht kan om gewichtige
redenen worden geschorst en - zonodig - tussentijds worden ontslagen.
II. DE DOOR DE KERK GESTICHTE INSTELLINGEN VOOR
THEOLOGISCH WETEN¬SCHAPPELIJK ONDERWIJS
Artikel 4. Het college van curatoren
1. Een door de kerk gestichte instelling voor theologisch wetenschappelijk
onderwijs wordt be-stuurd door een college van curatoren.
2. Het college van curatoren van de instelling is belast met het bestuur
van de desbetreffende instelling in haar geheel en het beheer daarvan,
onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht voor het theologisch
wetenschappelijk onderwijs en rekening houdend met het eigen karakter
van de instelling,
een en ander met inachtneming van het bepaalde in de generale regeling
voor de opleiding en vorming van predikanten.
3. Een college van curatoren bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste
negen leden, die worden benoemd uit de belijdende leden van de kerk.
De leden van een college van curatoren worden - met inachtneming van het
bepaalde in de generale regeling voor de opleiding en vorming van predikanten
- benoemd, geschorst en ont-slagen door de kleine synode, op aanbeveling
van de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs,
een en ander met dien verstande dat - indien de aanbeveling een lid van
het college van curatoren van het Evangelisch-Luthers Seminarium betreft
– de raad van toezicht daarover tevoren overeenstemming heeft bereikt
met de evangelisch-lutherse synode.
4. De leden van een college van curatoren worden benoemd voor een periode
van vier jaar en kunnen eenmaal voor een aansluitende periode van vier
jaar worden herbenoemd. Een lid van een college van curatoren kan om gewichtige
redenen worden geschorst en - zonodig - tussentijds worden ontslagen.
Artikel 5. Rectorium
1. Het college van curatoren stelt een rectorium in, dat wordt belast
met de dagelijkse leiding van de desbetreffende instelling. De leden van
het rectorium worden benoemd door het colle-ge van curatoren.
Artikel 6. De door de generale synode benoemde
hoogleraren en docenten
1. De benoeming en het ontslag van hoogleraren en docenten bij de door
de kerk gestichte in-stellingen voor theologisch wetenschappelijk onderwijs
geschieden door de generale synode op voordracht van de raad van toezicht
voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs, met inachtneming van
hetgeen overigens ter zake in de orde van de kerk is bepaald.
Een voordracht voor benoeming bevat - bij voorkeur - twee namen, in volgorde
van voorkeur.
2. Tot hoogleraar of docent bij de in lid 1 bedoelde instellingen zijn
benoembaar belijdende leden van de kerk, die ten minste vier jaar als
predikant de kerk hebben gediend, behoudens door de generale synode van
deze voorwaarden te verlenen ontheffing.
3. Degene die naar het bepaalde in dit artikel tot hoogleraar of docent
is benoemd, belooft voor-afgaand aan het tijdstip waarop die benoeming
ingaat, ten overstaan van het moderamen van de generale synode dat betrokkene
bij de arbeid aan de opleiding en vorming van de predi-kanten zich naar
artikel I van de kerkorde zal bewegen in de weg van het belijden van de
kerk, het opzicht van de kerk aanvaardt, zich zal onderwerpen aan de regelen
van de orde van de kerk en zal medewerken aan de opbouw van de kerk als
gestalte van de ene heilige, apostolische en katholieke of algemene christelijke
Kerk.
4. Aan de door de generale synode benoemde hoogleraren en docenten is
opgedragen - naast het onderwijs en onderzoek in de hun toevertrouwde
vakken - bijzondere zorg te besteden aan de vorming tot het ambt van predikant.
Aan hen is in dat kader mede toevertrouwd het beto-nen van geestelijke
zorg aan hen die verlangen toegelaten te worden tot het ambt van predi-kant.
5. De door de generale synode benoemde hoogleraren en docenten zijn geroepen
naar vermo-gen een bijdrage te leveren aan de theologische arbeid van
de kerk, wanneer zij daartoe door of vanwege de meerdere ambtelijke vergaderingen
worden uitgenodigd.
6. De door de generale synode benoemde hoogleraren en docenten worden,
als zij beroepbaar zijn als predikant van de kerk, door de generale synode
tevens beroepen tot predikant met een bijzondere opdracht.
Artikel 7. De Theologische Universiteit te Kampen
1. De Theologische Universiteit te Kampen is een door de kerk gestichte
instelling voor theolo-gisch wetenschappelijk onderwijs, die zorg draagt
voor de opleiding tot predikant, en heeft - als zelfstandig onderdeel
van de kerk - rechtspersoonlijkheid.
Aan de Theologische Universiteit is tevens opgedragen het verrichten van
theologisch weten-schappelijk onderzoek.
2. De benoeming en het ontslag van hoogleraren en docenten bij de Theologische
Universiteit geschieden op voordracht van de raad van toezicht voor het
theologisch wetenschappelijk on-derwijs.
De raad van toezicht hoort, voordat een voordracht aan de generale synode
wordt gedaan, het college van curatoren dat - alvorens advies uit te brengen
- het oordeel inwint van het col-lege van hoogleraren en het rectorium.
3. De inrichting en werkwijze van de Theologische Universiteit worden
geregeld in een bestuurs- en beheerreglement, dat - met inachtneming van
het bepaalde in deze ordinantie en in de ge-nerale regeling voor de opleiding
en vorming van predikanten - wordt vastgesteld door het col-lege van curatoren.
Artikel 8. Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut
1. Het Theologisch Wetenschappelijk Instituut is een door de kerk gestichte
instelling voor theo-logisch wetenschappelijk onderwijs ten behoeve van
de kerkelijke opleiding bij de theologi-sche faculteiten aan de door de
kerk aangewezen universiteiten als bedoeld in artikel 2-2 sub b.
Aan het Theologisch Wetenschappelijk Instituut is tevens opgedragen het
verrichten van theo-logisch wetenschappelijk onderzoek.
2. De benoeming en het ontslag van de kerkelijke hoogleraren en docenten
bij het Theologisch Wetenschappelijk Instituut geschieden op voordracht
van de raad van toezicht voor het theo-logisch wetenschappelijk onderwijs.
De raad van toezicht hoort, voordat een voordracht aan de generale synode
wordt gedaan, het college van curatoren dat - alvorens advies uit te brengen
- het oordeel inwint van het college van kerkelijke hoogleraren en docenten
en de theologische faculteit waaraan de te benoemen hoogleraar of docent
werkzaam zal zijn.
3. De aan het instituut verbonden kerkelijke hoogleraren en docenten vormen
tezamen het col-lege van kerkelijke hoogleraren en docenten.
4. De generale synode stelt, gehoord de raad van toezicht voor het theologisch
wetenschappelijk onderwijs, vast welke vakken door de kerkelijke opleiding
worden verzorgd en deel uitmaken van het kerkelijk examen.
5. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs
stelt, gehoord het colle-ge van curatoren en het college van kerkelijke
hoogleraren en docenten, de voorwaarden voor de toelating tot het kerkelijk
examen vast.
6. Tot het kerkelijk examen worden toegelaten leden van de kerk die zijn
ingeschreven in het album van de kerk en met goed gevolg een examen in
de godgeleerdheid dat toelating geeft tot het kerkelijk examen, hebben
afgelegd aan een van de in artikel 2-2 genoemde universitei-ten.
7. De inrichting en werkwijze van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut
worden geregeld in een bestuurs- en beheerreglement, dat - met inachtneming
van het bepaalde in deze ordinan-tie en in de generale regeling voor de
opleiding en vorming van predikanten - wordt vastge-steld door het college
van curatoren.
Artikel 9. Het Evangelisch-Luthers Seminarium
1. Het Evangelisch-Luthers Seminarium is een door de kerk gestichte instelling
voor theologisch wetenschappelijk onderwijs bij de theologische faculteit
aan de Universiteit te Utrecht ten be-hoeve van de kerkelijke opleiding.
Het Seminarium draagt bij aan het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar
maken van de lutherse traditie en verzorgt in dat kader onderwijs en onderzoek
ten behoeve van de oplei-ding en bijscholing van predikanten, alsmede
ten behoeve van de vorming en toerusting van gemeenteleden.
Het beheer van de bibliotheek van het Evangelisch-Luthers Seminarium is
opgedragen aan het college van curatoren van het Evangelisch-Luthers Seminarium.
2. De benoeming en het ontslag van de kerkelijke hoogleraren en docenten
bij het Evangelisch-Luthers Seminarium geschieden op voordracht van de
raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs, met
dien verstande dat de raad van toezicht daarover tevoren overeenstemming
heeft bereikt met de evangelisch-lutherse synode.
3. De kerkelijke hoogleraren en docenten worden benoemd met het oog op
het geven van - na-der aangegeven - vakken, die aan het seminarium worden
gedoceerd. Het staat de kerkelijke hoogleraren en docenten vrij, behoudens
goedkeuring van het college van curatoren van het Evangelisch-Luthers
Seminarium, het onderwijs bedoeld in lid 4 te doen verzorgen door hoog-leraren
en docenten van de theologische opleiding aan een van de in artikel 2
genoemde uni-versiteiten.
4. De generale synode stelt, gehoord de raad van toezicht voor het theologisch
wetenschappelijk onderwijs en de evangelisch-lutherse synode, vast welke
vakken door het seminarium worden verzorgd en deel uitmaken van het kerkelijk
examen.
5. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs
stelt, gehoord het colle-ge van curatoren en de kerkelijke hoogleraren
en docenten van het Evangelisch-Luthers Se-minarium, de voorwaarden voor
de toelating tot het kerkelijk examen aan dit seminarium vast.
6. Tot het kerkelijk examen worden toegelaten leden van de kerk die zijn
ingeschreven in het album van de kerk en met goed gevolg een examen in
de godgeleerdheid dat toelating geeft tot het kerkelijk examen, hebben
afgelegd aan een van de in artikel 2-2 genoemde universitei-ten.
7. De inrichting en werkwijze van het Evangelisch-Luthers Seminarium worden
geregeld in een bestuurs- en beheerreglement, dat - met inachtneming van
het bepaalde in deze ordinantie en in de generale regeling voor de opleiding
en vorming van predikanten - wordt vastgesteld door het college van curatoren.
III. DE DOOR DE KERK GESTICHTE INSTELLING VOOR
NADERE VOORBEREIDING EN NASCHOLING
Artikel 10. Het Theologisch Seminarium Hydepark
1. Het Theologisch Seminarium Hydepark is de door de kerk gestichte instelling
voor de nadere voorbereiding op het predikantschap en de nascholing van
predikanten.
2. Het Theologisch Seminarium Hydepark wordt bestuurd door het bestuur
van de dienstenorga-nisatie, dat bevoegd is een commissie in te stellen
waaraan het bestuur en beheer van het theologisch seminarium wordt opgedragen.
3. De dagelijkse leiding van het Theologisch Seminarium Hydepark berust
bij een rector, die zijn werk verricht onder verantwoordelijkheid van
het bestuur van de dienstenorganisatie.
4. De rector wordt door de generale synode benoemd, op voordracht van
de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs.
De raad van toezicht hoort, voordat een voordracht aan de generale synode
wordt gedaan, het bestuur van de dienstenorganisatie en de colleges van
curatoren van de door de kerk ge-stichte instellingen voor theologisch
wetenschappelijk onderwijs.
Het bepaalde in artikel 6-3 is van overeenkomstige toepassing.
5. De benoeming en het ontslag van de docenten aan het Theologisch Seminarium
Hydepark geschieden door de kleine synode op aanbeveling van de raad van
toezicht voor het theolo-gisch wetenschappelijk onderwijs.
De raad van toezicht hoort de rector van het theologisch seminarium, voordat
een aanbeve-ling aan de kleine synode wordt gedaan.
6. Tot rector of docent zijn benoembaar belijdende leden van de kerk,
die ten minste vier jaar als predikant de kerk hebben gediend, behoudens
door de generale synode van deze voorwaar-den te verlenen ontheffing.
7. De rector en docenten worden, als zij beroepbaar zijn als predikant
van de kerk, door de ge-nerale synode tevens beroepen tot predikant met
een bijzondere opdracht.
8. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs
stelt, gehoord het be-stuur van de dienstenorganisatie en de rector, het
instellingsplan en het curriculum voor het Theologisch Seminarium Hydepark
vast, een en ander met inachtneming van de vastgestelde beleidsmatige
en financiële randvoorwaarden voor de gehele dienstenorganisatie.
9. De taken en bevoegdheden van het Theologisch Seminarium Hydepark ter
zake van de nade-re voorbereiding op het predikantschap en de nascholing
van predikanten alsmede van de verplichtingen van de toekomstige en dienstdoende
predikanten in dezen, worden nader ge-regeld in de generale regeling voor
de opleiding en vorming van predikanten.
IV. ZIJ DIE DE OPLEIDING TOT PREDIKANT VOLGEN
Artikel 11. Het album van de kerk en het onderzoek naar de geschiktheid
1. Zij die verlangen tot predikant in de Protestantse Kerk in Nederland
opgeleid en gevormd te worden, dienen vanaf de aanvang van hun studie
ingeschreven te zijn in het album van de kerk, van welke bepaling door
de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk on-derwijs
ontheffing kan worden verleend op door haar te stellen voorwaarden.
Betrokkenen dienen in de regel gedurende ten minste vier jaar ingeschreven
te zijn in het al-bum van de kerk.
2. De kerk draagt bijzondere zorg voor de vorming tot het ambt van predikant
van degenen die ingeschreven zijn in het album van de kerk.
3. Zij die ingeschreven zijn in het album van de kerk verlenen hun medewerking
aan onderzoek naar de geschiktheid voor het ambt van predikant.
4. De generale synode bepaalt, gehoord de generale raad van advies, door
wie en op welke wij-ze het onderzoek plaatsvindt naar de geschiktheid
voor het ambt van predikant van hen die verlangen toegelaten te worden
tot het predikantschap in de kerk en bepaalt daarbij tevens op welke wijze
- indien een verklaring inzake de geschiktheid tot het ambt van predikant
niet wordt afgegeven - daartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Artikel 12. Bevoegdheid tot het leiden van kerkdiensten
tijdens de opleiding
1. Aan belijdende leden van de kerk die
- te kennen hebben gegeven toegelaten te willen worden tot het ambt van
predikant,
- de theologische opleiding volgen bij of aan een van de in artikel 2
genoemde universitei-ten en seminaria en
- naar het oordeel van de betrokken hoogleraren en docenten voldoende
homiletische en li-turgische bekwaamheid hebben,
kan in de eindfase van de opleiding door of vanwege de kleine synode voor
een tijdvak van telkens ten hoogste één jaar een consent
worden verleend om - met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek
van de kerk en met inachtneming van het in of krachtens or-dinantie 5-5-2
bepaalde - een kerkdienst te leiden.
Dit consent wordt uitgereikt, nadat de aanvrager de belofte heeft afgelegd,
die in de generale regeling voor het verlenen van consent tot het leiden
van kerkdiensten is voorgeschreven.
2. Dit consent vervalt tussentijds als betrokkene niet toegelaten mocht
worden tot het ambt van predikant in de kerk.
V. ANDERE WEGEN TOT HET AMBT VAN PREDIKANT
Artikel 13. Zij die theologische wetenschappelijke opleiding elders begonnen
zijn
1. Zij die elders in binnen- of buitenland een theologische wetenschappelijke
opleiding volgen en verlangen tot predikant in de Protestantse Kerk in
Nederland opgeleid en gevormd te worden, zijn gehouden hun opleiding voort
te zetten bij of aan een van de in artikel 2 bedoelde univer-siteiten
en seminaria.
2. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs
bepaalt, gehoord de hoogleraren en docenten van de instelling waar de
theologische opleiding wordt voortgezet, in hoeverre de reeds bereikte
studieresultaten gelding kunnen behouden.
3. De in lid 1 bedoelde verandering van opleidingsinstituut dient in de
regel ten minste twee jaar voor het te verwachten tijdstip van het met
goed gevolg afronden van de opleiding tot predi-kant te hebben plaatsgevonden.
4. Betrokkene dient vanaf de aanvang van de studie aan een van de in artikel
2 bedoelde uni-versiteiten en seminaria ingeschreven te zijn in het album
van de kerk, waarbij het bepaalde in artikel 11-2 en 3 van overeenkomstige
toepassing is.
Artikel 14. Zij die bij een andere kerk als predikant
of geestelijke werkzaam zijn geweest of tot het ambt van predikant of
geestelijke zijn toegelaten
1. Indien iemand die bij een andere kerk in of buiten Nederland als predikant
of geestelijke dienst heeft gedaan dan wel in deze kerk is toegelaten
tot het ambt van predikant of geestelij-ke, toelating tot het ambt van
predikant in de Protestantse Kerk in Nederland verlangt, beoor-deelt de
kleine synode, gehoord de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk
onderwijs inzake de kwaliteit van de ontvangen opleiding en nadat een
onderzoek naar de ge-schiktheid als bedoeld in artikel 11 is ingesteld,
of, en zo ja, onder welke voorwaarden de weg naar het colloquium voor
betrokkene kan worden geopend.
2. De raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk onderwijs
stelt vast of een bijzon-der kerkelijk examen nodig is en zo ja, welke
de vereisten zijn voor dit bijzonder kerkelijk examen, dat door betrokkene
moet worden afgelegd bij of aan een van de in artikel 2 bedoel-de universiteiten
en seminaria.
Artikel 15. Bijzondere omstandigheden
1. De kleine synode kan in bijzondere omstandigheden en van geval tot
geval - onder overeen-komstige toepassing van het in artikel 14 bepaalde
- toestemming geven de weg naar het col-loquium te openen,
indien van iemand die elders een theologische wetenschappelijke opleiding
met goed gevolg heeft gedaan en toelating tot het ambt van predikant in
de Protestantse Kerk in Nederland verlangt, naar het oordeel van de kleine
synode in redelijkheid niet kan worden gevraagd te voldoen aan de in artikel
13 voorgeschreven vereisten.
Artikel 16. Singuliere gaven
1. Van de regel dat een theologisch wetenschappelijke opleiding vereist
is om toegelaten te wor-den tot het colloquium, kan alleen worden afgeweken
indien op overtuigende wijze blijkt dat een belijdend lid van de kerk
singuliere gaven zijn geschonken voor het ambt van predikant.
2. De beoordeling of zulks het geval is geschiedt door of vanwege de kleine
synode.
3. Blijkt uit het onderzoek dat de in deze bepaling bedoelde gaven aanwezig
zijn, dan stelt de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk
onderwijs vast of een bijzonder ker-kelijk examen nodig is en zo ja, welke
de vereisten zijn voor dit bijzonder kerkelijk examen, dat door betrokkene
moet worden afgelegd bij of aan een van de in artikel 2 bedoelde univer-siteiten
en seminaria.
VI. TOELATING TOT HET AMBT VAN PREDIKANT
Artikel 17. Het generale college voor de toelating tot het ambt van predikant
1. De toelating tot het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in
Nederland wordt - na een colloquium - verleend door het generale college
voor de toelating tot het ambt van predikant.
2. De leden van het generale college worden benoemd door de kleine synode
uit de ambtsdra-gers van de kerk en wel zo dat er nagenoeg evenveel predikanten
enerzijds als ouderlingen en diakenen anderzijds, worden benoemd.
De kleine synode stelt, voordat tot benoeming wordt overgegaan, de algemene
classicale ver-gaderingen en de evangelisch-lutherse synode in de gelegenheid
aanbevelingen in te dienen voor de benoeming van leden van dit generale
college.
3. Het generale college vormt uit zijn midden een aantal delegaties voor
het houden van collo-quia.
4. Voor het colloquium van hen, die verlangen predikant te worden bij
een Waalse gemeente, wijst de Commission Wallonne voor elk geval afzonderlijk
drie gedelegeerden voor de toela-ting tot het ambt van predikant aan,
die tezamen met de voorzitter en secretaris dan wel twee andere daarvoor
aangewezen leden van het generale college, het colloquium houden.
De gedelegeerden van de Commission Wallonne kunnen desgewenst een colloquium
bijwo-nen van één van de delegaties als bedoeld in lid 3.
Artikel 18. De aanvraag van en de vereisten voor
de toelating tot een colloquium
1. De aanvraag van een colloquium moet worden ingediend bij de secretaris
van het generale college voor de toelating tot het ambt van predikant.
2. Bij de aanvraag moeten worden overgelegd:
a. een verklaring over belijdenis en wandel, afgegeven door de kerkenraad
van de gemeen-te(n) tot welke de betrokkene als belijdend lid de afgelopen
twee jaar heeft behoord,
b. een bewijs dat met goed gevolg de opleiding tot predikant is gevolgd
bij of aan een van de in artikel 2 bedoelde universiteiten en seminaria,
vergezeld van een verklaring omtrent de geschiktheid tot het ambt van
predikant
dan wel een verklaring van de raad van toezicht voor het theologisch wetenschappelijk
onderwijs dat voldaan is aan de vereisten voor het afleggen van het colloquium
alsmede
c. een preek over een door de aanvrager gekozen Schriftgedeelte, vergezeld
van een orde van de dienst met de daarbij gekozen Schriftlezing(en) en
liederen.
3. Indien de bescheiden als bedoeld in lid 2 sub b ouder zijn dan vier
jaar kan het generale colle-ge nadere eisen stellen voor de toelating
tot het colloquium.
Artikel 19. Het colloquium
1. Het colloquium wordt gehouden op een door het generale college voor
de toelating tot het ambt vast te stellen datum, die in de regel ligt
binnen drie maanden na het indienen van de aanvraag.
2. Het colloquium, bedoeld als gesprek over de roeping van betrokkene
en het ambt van de pre-dikant in het geheel van het leven en werken van
de kerk, vindt voornamelijk plaats aan de hand van de door de betrokkene
ingezonden preek en orde van de dienst.
3. Is het oordeel van de delegatie gunstig, dan wordt betrokkene voor
vier jaar bevoegd ver-klaard als proponent te staan naar het ambt van
predikant en wordt aan de betrokkene daartoe een testimonium uitgereikt.
4. Het testimonium wordt uitgereikt nadat betrokkene de volgende belofte
heeft afgelegd en on-dertekend:
Aanvaardt u de roeping tot de openbare prediking van het evangelie, de
bediening van de sacramenten en de herderlijke zorg, en bent u bereid
in al het ambtelijk werk te getuigen van het heil in Jezus Christus?
Belooft u daarbij te blijven in de weg van het belijden van de kerk in
gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht,
(waaraan, als betrokkene daarom verzoekt, wordt toegevoegd:
daarbij in het bijzonder verbonden met de belijdenisgeschriften van de
gereformeerde traditie, of:
daarbij in het bijzonder verbonden met de belijdenisgeschriften van de
lutherse tradi-tie)?
Belooft u zich te houden aan de regels, gesteld in de orde van de kerk?
5. De bevoegdheid om als proponent te staan naar het ambt van predikant
kan telkens voor een periode van vier jaar door de kleine synode worden
verlengd.
6. Proponenten hebben de bevoegdheid om - met gebruikmaking van een van
de orden uit het dienstboek van de kerk en met inachtneming van het in
of krachtens ordinantie 5-5-2 bepaal-de - een kerkdienst te leiden.
7. Vindt de delegatie het resultaat van het colloquium niet bevredigend,
dan wordt dit op verzoek van betrokkene bij een latere gelegenheid voortgezet.
8. Is de delegatie daarna van oordeel dat tegen de toelating van betrokkene
onoverkomelijke bezwaren bestaan, dan deelt zij dit deze onder opgave
van de redenen schriftelijk mee.
Betrokkene kan zich terzake van deze beslissing binnen vier weken beroepen
op de kleine synode die in dezen een eindbeslissing geeft.
VII. VOORTGEZETTE VORMING
Artikel 20. De voortgezette vorming van de predikanten
1. De predikanten zijn geroepen om de theologische wetenschap te blijven
beoefenen, waartoe de kerkenraden met medewerking van de gemeente ervoor
zorgen dat de predikanten vol-doende gelegenheid voor studie hebben.
2. De kerk bevordert dat de in artikel 2-5 en 6 bedoelde instellingen
nascholingsactiviteiten voor predikanten organiseren ten dienste van de
voortgezette theologische studie en, in samen-werking met het bestuur
van de dienstenorganisatie van de kerk, ten dienste van de toerusting
tot het ambt van de predikanten.
3. Een predikant die voor de eerste maal als zodanig is bevestigd, is
gehouden voor het einde van de eerste vier jaar na deze bevestiging deel
te nemen aan een door de generale synode vast te stellen aantal studieweken,
die met het oog op de begeleiding van beginnende predi-kanten worden belegd
door het Theologisch Seminarium Hydepark.
4. De predikanten worden in het kader van het in lid 1 bepaalde bovendien
eenmaal per vijf jaar gedurende een periode van drie maanden vrijgesteld
van de vervulling van hun dienstwerk.
De predikant doet tevoren aan het breed moderamen van de classicale vergadering
medede-ling over de invulling van dit studieverlof.
Het studieverlof wordt nader geregeld in de generale regeling voor de
predikantstraktementen en de generale regeling voor de opleiding en vorming
van de predikanten.
VIII. MENTORAAT
Artikel 21. Mentoraat
1. De predikant ontvangt, nadat deze als zodanig voor de eerste maal is
bevestigd, gedurende een door de generale synode vast te stellen periode
werkbegeleiding door een mentor die, na overleg met de betreffende predikant,
wordt aangewezen uit de ambtsdragers van de kerk, bij voorkeur uit de
predikanten.
De mentoren worden aangewezen door of vanwege de kleine synode.
2. Een predikant kan ook in een later stadium werkbegeleiding ontvangen,
indien betrokkene daarom verzoekt dan wel daarmee instemt.
|
 |