ORDINANTIE 2 DE GEMEENTEN
I. WIE TOT EEN GEMEENTE BEHOREN
Artikel 1. Algemeen
1. Een gemeente is de gemeenschap die, geroepen tot eenheid, getuigenis
en dienst, samen-komt rondom Woord en sacra¬menten.
Artikel 2. De leden van de gemeente
1. Tot een gemeente behoren als doopleden:
- zij die in een gemeente van de kerk de doop heb¬ben ontvan¬gen
of die in een andere kerk de doop hebben ontvan¬gen en naar de Protestantse
Kerk in Nederland zijn over¬gekomen
- en die als zodanig zijn ingeschreven in het register van deze gemeente;
als belijdende leden:
- zij die in een gemeente van de kerk belijdenis van het geloof heb¬ben
gedaan of die de doop hebben ontvan¬gen, belijdenis van het geloof
hebben gedaan in een andere kerk en naar de Protes¬tantse Kerk in
Nederland zijn over¬geko¬men
- en die als zodanig zijn ingeschreven in het register van deze gemeente.
2. De leden zijn - behoudens toepassing van het in artikel
5-3 bepaalde - inge¬schreven in het register van de ge¬meen¬te,
binnen welker grondge¬bied zij hun vaste woon¬plaats hebben.
Artikel 3. Gastleden
1. Tot een gemeente behoren - naast de in artikel 2 bedoelde leden van
de gemeen¬te - tevens zij die in het register van deze gemeente als
gastlid zijn ingeschreven.
2. In het register van een gemeente kunnen als gastlid wor¬den inge¬schreven
leden van kerken waarmee de Protes¬tantse Kerk in Nederland bijzondere
betrekkingen onderhoudt, alsmede van andere kerken ten aanzien waarvan
de generale synode dit heeft bepaald, onder over-eenkomstige toepassing
van artikel 2-2.
3. Het gastlidmaatschap wordt nader geregeld bij generale regeling.
Artikel 4. Zij die met de gemeente verbonden zijn
1. Tot de gemeenschap van een gemeente worden - naast de in artikel 2
bedoelde leden van de gemeente en de in artikel 3 bedoelde gastle¬den
- voorts gerekend de niet-gedoopte kinde¬ren van gemeente¬leden
alsmede degenen die blijk geven van verbon¬denheid met de gemeen¬te.
Artikel 5. Verhuizing en overschrijving
1. Bij verhuizing worden de leden ingeschreven in het regis¬ter van
een gemeente binnen welker grondgebied zij hun vaste woonplaats hebben,
een en ander met inachtneming van het hierna bepaalde:
a. Zij die ingeschreven waren in het register van een pro¬testantse
gemeente, worden inge-schreven in het register van de protestantse gemeente
in de plaats van vesti¬ging.
Is in de plaats van vestiging geen protestantse gemeen¬te, dan ontvangen
zij bericht van-wege de gene¬rale syno¬de dat zij zullen worden
ingeschre¬ven in het register van de daar-toe - volgens een door de
classicale vergadering te maken regeling - aangewe¬zen ge-meente in
de plaats van vestiging,
onder vermelding van de andere tot de kerk behorende gemeenten ter plaat¬se.
Indien betrokkenen binnen een maand geen voorkeur kenbaar maken, worden
zij inge-schreven in de door de classicale vergade¬ring aangewezen
gemeente.
b. Zij die ingeschreven waren in het register van een her¬vormde gemeente
respectie¬velijk een gereformeerde kerk, worden ingeschre¬ven
in het register van de her¬vorm¬de gemeen-te respectievelijk de
gereformeerde kerk in de plaats van vestiging.
Is in de plaats van vestiging geen hervormde gemeen¬te respectieve¬lijk
gerefor¬meerde kerk, dan vindt de inschrij¬ving plaats in het
register van de protes¬tantse gemeente in de plaats van vestiging.
c. Zij die ingeschreven zijn in het register van de evange¬lisch-lutherse
leden als bedoeld in artikel 10, worden ingeschreven in het register van
de evan¬gelisch-lutherse gemeente in de plaats van vestiging dan wel
van de protestantse gemeen¬te die door ver¬eniging met een evan¬gelisch-lutherse
gemeente is ontstaan.
d. Indien er in een plaats van vestiging meer dan één protestantse
gemeente respectievelijk hervormde gemeente respectievelijk gereformeerde
kerk respectievelijk evangelisch-lutherse gemeente is, dan ontvangen betrokkenen
bericht vanwege de generale synode dat zij zullen worden ingeschreven
in het register van de daartoe - volgens een door de classicale vergadering
te maken regeling - aangewezen gemeente in de plaats van vesti-ging, onder
vermelding van de andere tot de kerk behorende gemeenten ter plaatse.
Indien betrokkenen binnen een maand geen voorkeur kenbaar maken, worden
zij inge-schreven in de door de classicale vergadering aangewezen gemeente.
2. Indien er op een bepaald grondgebied meer dan een tot de kerk beho¬ren¬de
gemeente is, kun-nen de leden die in het register van een van deze ge¬meenten
zijn ingeschreven zich op hun verzoek laten over¬schrijven naar het
register van een van de ande¬re in hetzelfde gebied gele-gen gemeen¬ten.
3. a. Als lid van een gemeente kunnen - op hun schriftelijk en gemotiveerd
verzoek en met instem¬ming van de kerkenraden van de betrokken gemeen¬ten
- in het register van een ge¬meente ook worden inge¬schreven de
in artikel 2-2 bedoelde leden van de kerk die hun vaste woon¬plaats
hebben binnen een andere tot de kerk behoren¬de ge¬meen¬te.
Voor de gedoopte en niet-gedoopte kinderen beneden de leeftijd van 18
jaar wordt het verzoek tot inschrijving in een andere gemeente dan de
woongemeente ingediend door de ouders of verzorgers.
b. Weigert een van de betrokken kerkenraden de gevraag¬de instem¬ming,
dan kunnen be-trokkenen een beslis¬sing ter zake vragen aan het breed
modera¬men van de clas¬si¬cale vergadering van de classis,
waar¬toe de ge¬meente waarbinnen zij hun vaste woon¬plaats
hebben, behoort.
Alvorens een beslissing te nemen, hoort dit breed mode¬ra¬men
- indien de gemeente waarbij de inschrij¬ving wordt ver¬zocht,
tot een andere classis behoort - het breed mo-deramen van de classi¬cale
vergadering van die andere clas¬sis.
4. Bij verhuizing naar het buitenland kan een verklaring van lidmaatschap
of een attestatie als bedoeld in ordinantie 14-4-3 worden afgegeven, met
inachtneming van het bepaalde in ordi-nantie 6-4-3.
II. DE REGISTERS
Artikel 6. De registers van gemeente en kerk
1. Ten behoeve van het leven en werken van gemeenten en kerk worden de
volgende registers bijgehouden:
a. het register van de gemeente dat bestaat uit
- het register van de gemeenteleden
- het register van de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en van
degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente;
b. het register van de leden van alle gemeenten van de Protes¬tantse
Kerk in Nederland;
c. het register van de evangelisch-lutherse leden.
2. Het doel van de registratie is het kunnen be¬schik¬ken over
persoonsge¬ge¬vens ten behoeve van het func¬tione¬ren
van het kerkelijk leven en werken in de ruimste zin van het woord.
3. De in lid 1 bedoelde registers worden ingericht en bijge¬hou¬den
naar regels bij generale rege-ling vastgesteld.
4. Ieder die in een register als bedoeld in lid 1 is opgeno¬men heeft
recht op inzage van hetgeen omtrent be¬trok¬kene is geregistreerd
en op correc¬tie van on¬juistheden in de geregistreerde ge-gevens.
5. Van de gegevens van de registers wordt geen gebruik ge¬maakt dan
met vooraf¬gaande toe-stemming van de houder van het register, behalve
voor het verstrek¬ken van gegevens voor de kerkvi¬sitatie of voor
de tenuit¬voerlegging van andere bij of krachtens ordinantie voorge-schreven
werk¬zaamheden. Ten aanzien van het gebruik van gegevens van de door
of vanwe¬ge de kerkenraad bijgehouden registers kan de in dit lid
be¬doelde toestem¬ming alleen worden gegeven door deze ker¬kenraad.
Artikel 7. Het register van gemeenteleden
1. Ten behoeve van het leven en werken van de gemeente wordt door of vanwege
de kerken-raad een register van ge¬meente¬le¬den ingericht
en bijgehouden, alsmede in een gemeente met wijkgemeenten een register
van de leden van de wijkgemeente. In deze registers worden in-geschreven
de doopleden en de belijdende leden die tot de (wijk)gemeente behoren.
2. Allen die als leden zijn ingeschreven in het register van een gemeente,
blij¬ven tot haar beho-ren zolang zij niet
- in een andere gemeente worden opgeno¬men door veran¬de¬ring
van woon¬plaats,
- ingeschreven worden in een andere gemeen¬te van de kerk,
- metter¬woon zich vestigen in het buiten¬land,
- tot een andere kerkgemeen¬schap overgaan,
- zichzelf onttrekken aan de gemeenschap van de kerk door middel van een
uitdrukkelijke verklaring aan de kerkenraad.
3. Bij vertrek dan wel overschrijving van een lid van een ge¬meente
naar een andere gemeente worden de desbetreffen¬de gegevens uit het
regis¬ter van gemeentele¬den toegezon¬den aan de gemeente
van inschrijving.
4. Op hun verzoek kunnen leden van een andere kerk door of vanwege de
kerken¬raad in het register van gemeenteleden als gastlid worden inge¬schreven,
een en ander naar regels bij ge-nera¬le regeling vastge¬steld.
Artikel 8. Het register van de niet-gedoopte kinderen
van ge¬meen¬te¬leden en van degenen die blijk geven van ver¬bonden¬heid
met de gemeente
1. Ten behoeve van het leven en werken van de gemeente wordt voorts door
of vanwege de kerkenraad een register bijgehouden van degenen die de gemeente
tot haar gemeenschap rekent.
2. In dit register worden ingeschreven de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden
en zij die blijk geven van verbondenheid met de gemeente, tenzij daartegen
door of namens betrokke-nen of hun wettelijke vertegenwoordigers bezwaar
wordt gemaakt.
3. Van de inschrijving van niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en
van degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente worden betrokkenen
of hun wettelijke vertegen-woordigers binnen vier weken op de hoogte gesteld.
Voor deze ingeschrevenen is het bepaal-de in artikel 7-3 van toepassing.
Artikel 9. De landelijke ledenregistratie
1. Ten behoeve van de continuïteit van de registratie van de leden
van de gemeen¬ten en van de onderlinge uitwissel¬baar¬heid
van de verzamelde gegevens doet de generale synode een regi-stratie onderhouden
van de leden van alle gemeenten van de Protestantse Kerk in Neder¬land.
2. De gemeenten zijn gehouden ten behoeve van de landelijke ledenregis¬tra¬tie
alle mutaties op het ledenbestand van de gemeente die haar ter kennis
komen, aan de generale synode ter beschikking te stellen, terwijl de gemeenten
een opgave ontvangen van de in de landelijke le-denregis¬tratie aange¬brach¬te
mutaties die hun gemeente betref¬fen.
3. Het in dit artikel bepaalde is van overeenkomstige toe¬passing
ten aanzien van het register als bedoeld in artikel 8 van deze ordinan¬tie.
Artikel 10. Het register van evangelisch-lutherse
le¬den
1. De evangelisch-lutherse leden van de kerk worden tevens ingeschreven
in een daartoe door de evangelisch-lutherse synode bijgehouden register.
2. In het register van de evangelisch-lutherse leden worden opgenomen
- zij die als dooplid of belijdend lid zijn ingeschre¬ven in het register
van een evangelisch-lutherse gemeente en
- zij die als dooplid of belijdend lid in het regis¬ter van een andere
tot de kerk behorende gemeente zijn inge¬schre¬ven en - op een
daartoe strekkend verzoek - zijn inge¬schreven door de evan¬gelisch-lutherse
synode.
III. VORMEN VAN GEMEENTE-ZIJN
Artikel 11. Algemeen
1. Elke gemeente heeft haar door de kerk vastgestelde grenzen en wordt
aangeduid als respec-tievelijk de Protestantse ge¬meente te ....,
de Her¬vormde gemeente te ...., de Gerefor¬meerde kerk te .....,
de Evangelisch-Lutherse gemeente te .....,
waar nodig met een bijzondere aanduiding om haar kerkor¬de¬lijk,
postaal en in het rechtsver-keer te onder¬scheiden van de andere plaatselijke
gemeente(n).
2. De protestantse gemeenten, de hervormde gemeenten - waartoe ook gerekend
worden de Waalse, de Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten in Nederland
-, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten, alsmede
de hervormde, de gereformeerde en de evangelisch-lutherse wijkgemeenten
van een protestantse gemeente worden opgenomen in een door de generale
synode bijgehouden register van de gemeenten van de Protestantse Kerk
in Nederland.
3. De aanduiding en de naam van de gemeente worden door de kerkenraad
niet gewijzigd dan nadat de leden van de gemeente daarin gekend en hierover
gehoord zijn. Bedoelde wijziging kan alleen plaatsvin¬den met medewer¬king
en goedvin¬den van de classi¬cale vergadering, die in daarvoor
in aanmerking komende gevallen de evange¬lisch-lutherse synode hoort.
4. De grenzen van de gemeenten worden vastge¬steld en gewij¬zigd
door de clas¬sicale vergade¬ring, die de kerkenraden van de betrok¬ken
gemeenten en - in daarvoor in aanmerking komen-de gevallen - de evangelisch-luther¬se
synode hoort en de betrokken leden van de kerk in de gelegenheid stelt
hun oordeel kenbaar te maken.
Indien het grenzen betreft met een gemeente die behoort tot een andere
classis geschiedt deze vaststelling en wijziging in overleg met de betreffende
classicale vergadering.
5. De kerkenraden van gemeenten waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk
samenvalt zijn gehouden elkaar op de hoogte te stellen van de werk¬zaamhe¬den
die door of vanwege de ge¬meente worden ver¬richt, met name waar
deze werkzaamheden de missio¬naire, diaconale en pastorale arbeid
en het jeugdwerk van de gemeente betref¬fen, en op deze terreinen
te zoeken naar samenwerking.
6. De in het vorige lid bedoelde gemeenten kunnen op ver¬schil¬lende
terrei¬nen van het kerkelijk leven nauw samen¬werken.
Een besluit tot zulk een samenwerking, waarin vast¬gelegd dient te
worden welke arbeid ge-heel of gedeel¬telijk onder gemeenschappelijke
verant¬woordelijkheid zal worden ver¬richt, wordt genomen door
de kerkenraden van de betrokken ge¬meen¬ten, nadat de leden van
de ge¬meen¬ten daarin gekend en daarover gehoord zijn.
7. Op de samenwerking als bedoeld in lid 5 en 6 zijn de bepalingen van
de generale regeling voor samenwerking en federatie van toepassing.
8. Waar in de ordinanties of generale regelingen sprake is van gemeente
respectievelijk kerken-raad wordt in het geval van een gemeente met wijkgemeenten
steeds de wijkgemeente res-pectievelijk de wijkkerkenraad bedoeld, tenzij
nadrukkelijk anders wordt vermeld of uit de be-paling blijkt dat kennelijk
de gemeente als geheel respectievelijk de algemene kerkenraad wordt bedoeld.
Artikel 12. De vorming van pro¬testantse gemeenten
1. Een protestantse gemeente wordt gevormd door vereniging¬ van twee
of meer tot de kerk be-horende gemeenten waarvan het gebied geheel of
gedeeltelijk samenvalt.
2. Een besluit tot vereniging wordt genomen door de kerken¬ra¬den
van de betrokken gemeenten, nadat de leden van de gemeenten daarin gekend
en daar¬over gehoord zijn.
3. Een besluit tot vereniging kan, indien het betreft de vereniging van
gemeenten waartoe een of meer wijkgemeenten behoren, niet genomen worden
dan nadat
- de wijkkerkenraden zijn gehoord en
- de leden van de wijkgemeenten daarin gekend en door de wijkkerkenraden
daarover ge-hoord zijn.
4. Vereniging van twee of meer gemeenten tot een protestant¬se gemeente
kan alleen plaatsvin-den met medewerking en goed¬vinden van de classi¬ca¬le
vergade¬ring.
5. Een voorstel tot vereniging gaat gepaard met een voorstel voor de vast¬stelling
van de gren-zen van de te vormen protes¬tantse gemeen¬te respec¬tievelijk
voor de wijziging van de grenzen van de andere betrokken ge¬meenten.
6. Indien het voor een gemeente niet mogelijk is door ver¬eniging
een protes¬tant¬se gemeente te vormen, hetzij omdat er geen andere
tot de kerk behorende ge¬meen¬te ter plaatse is, hetzij omdat
door de andere gemeen¬te(n) te kennen is gegeven niet bereid te zijn
tot vereniging te komen, kan de classicale verga¬dering, gehoord de
kerkenraad van de andere gemeente, de eerstge¬noemde gemeente op haar
verzoek aan¬mer¬ken als protes¬tantse gemeen¬te.
7. Het bepaalde in de leden 1 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing
op wijkgemeenten die deel uitmaken van een protestantse gemeente, met
dien verstande dat in dat geval de vereniging plaatsvindt met medewerking
en goedvinden van de algemene kerkenraad.
8. Indien er bij de vereniging van ge¬meenten die tezamen een protes¬tantse
gemeente gaan vormen op hetzelfde gebied een hervormde gemeen¬te,
een gere¬for¬meerde kerk of een evan-ge¬lisch-luther¬se
gemeente blijft bestaan kan de classicale vergadering op verzoek van de
ker-kenra¬den van de betrokken gemeen¬ten besluiten de grenzen
van de op hetzelfde gebied naast elkaar bestaan¬de gemeenten te wijzigen.
9. Indien de vorming van een protestantse gemeente betreft een vereni¬ging
van gemeenten waartoe een of meer wijk¬ge¬meen¬ten behoren
die redenen hebben om niet zelf tot zulk een vereni¬ging met een andere
wijkge¬meente over te gaan, worden de betrok¬ken wijkgemeenten
op verzoek van de desbe¬tref¬fende wijkkerkenraden aangemerkt
als respec¬tievelijk hervormde, gerefor¬meerde of evange¬lisch-lutherse
wijkge¬meente van de pro¬testant¬se ge¬meen¬te.
Voor zulke wijkgemeenten gelden - voorzo¬ver in de orde van de kerk
niet an¬ders is bepaald - dezelfde bepalin¬gen als voor andere
wijkge¬meenten.
10. Indien de vorming van een protestantse gemeente betreft een vereni¬ging
van gemeenten waartoe een of meer wijkge¬meen¬ten behoren die
zwaar¬wegende bezwaren hebben tegen de vorming van de desbetreffende
protestantse gemeen¬te, kan de classicale vergadering - met inachtne¬ming
van het bepaal¬de in artikel 13 - ten behoeve van de tot deze wijkgemeen¬te
be-horende gemeentele¬den overgaan tot de vor¬ming van respectieve¬lijk
een hervormde gemeen-te, een gerefor¬meerde kerk of een evangelisch-lutherse
gemeente naast de protes¬tantse ge¬meente.
Artikel 13. De vorming van nieuwe gemeenten
1. De vorming van een nieuwe gemeente ge¬schiedt - hetzij op verzoek
van belang¬hebbende leden van de kerk die in een bepaald gebied woonachtig
zijn, hetzij op verzoek van een of meer kerkenraden van de betrokken gemeenten
- door de classicale vergadering.
2. Een daartoe strekkend verzoek dient, als het wordt gedaan door leden
van de betrokken ge-meenten, ingediend te worden bij de kerkenraad van
hun gemeente, die het ver¬zoek met een advies ter zake doorzendt naar
de classicale verga¬dering.
Is het verzoek afkomstig van een kerkenraad van een van de be¬trokken
gemeen¬ten, dan wordt het verzoek ingediend bij de clas¬sicale
vergade¬ring.
3. Voordat een besluit tot vorming van een nieuwe gemeen¬te wordt
geno¬men, wordt het advies ingewonnen van de betrok¬ken kerke¬nraden,
voorzo¬ver het verzoek daartoe niet van zulk een kerkenraad zelf afkom¬stig
is, en worden de be¬trokken leden van de kerk in de gele¬gen¬heid
gesteld hun oor¬deel kenbaar te maken.
4. De classicale vergadering kan tot vorming van een nieuwe gemeente besluiten
als daartoe een zodanig aantal ge¬meente¬le¬den zal behoren,
dat de te vormen gemeente in staat geacht mag worden een kerkenraad te
vormen en de in de orde van de kerk aangegeven taken van een gemeen¬te
te verrich¬ten.
5. De classicale vergadering kan - op verzoek en ten behoeve van leden
van de kerk die in een bijzondere situatie verkeren en ge¬hoord de
kerkenraden van de betrok¬ken ge¬meenten - deze leden samenbrengen
in een gemeen¬te van bij¬zon¬dere aard.
Voor deze gemeenten gel¬den - voor zover in de orde van de kerk niet
anders is bepaald - dezelfde regels als voor andere gemeenten.
6. Indien het verzoek tot vorming van een nieuwe gemeente betreft de vorming
van een nieuwe gemeente naast een ter plaatse reeds bestaande gemeente
dan wel de vorming van een nieuwe hervormde ge¬meente, gere¬for¬meerde
kerk of evan¬gelisch-lutherse ge¬meente, kan een clas¬sicale
verga¬dering daartoe eerst beslui¬ten na tevens het advies ingewon¬nen
te hebben van het regionale college voor de visitatie en - in daar¬voor
in aanmerking komende gevallen - van de evange¬lisch-lutherse synode.
Dit besluit be¬hoeft de goedkeuring van de genera¬le syno¬de.
Artikel 14. Samenvoeging van gemeenten
1. Twee of meer aangrenzende gemeenten dan wel twee of meer gemeenten
die in een zelfde gebied gelegen zijn, waaron¬der ten minste een gemeente
van bijzonde¬re aard, kunnen - op ver¬zoek van de kerke¬nraden
van de betrok¬ken gemeenten en nadat de leden van de betref-fende
ge¬meenten de gelegen¬heid hebben gekregen hun oordeel ken¬baar
te ma¬ken - door de classica¬le vergadering worden samenge¬voegd
tot een nieuwe ge¬meen¬te.
2. In bijzon¬dere omstandigheden kan de classicale vergade¬ring
een gemeen¬te, indien aan het regiona¬le college voor de visita¬tie
en - in daarvoor in aanmerking komende geval¬len - aan de evangelisch-lutherse
synode is gebleken dat deze gemeente geen moge¬lijkheid meer heeft
om zelf¬standig te blijven be¬staan, samenvoegen met een andere
gemeente. Het be¬sluit daar-toe kan eerst geno¬men worden nadat
de be¬trok¬ken ker¬kenraden zijn ge¬hoord en de be¬trok¬ken
gemeen¬teleden de gelegen¬heid hebben gekre¬gen hun oordeel
ken¬baar te maken.
Dit besluit behoeft de goedkeuring van de generale syno¬de.
Artikel 15. Combinatie van gemeenten
1. Twee of meer gemeenten kunnen een combinatie van ge¬meen¬ten
vor¬men. In een combina¬tie van gemeenten is de predi¬kant
verbonden aan de gemeenten gezamenlijk.
2. Een combinatie komt tot stand door een daartoe strek¬kend besluit
van de classicale vergade-ring op verzoek van de ker¬ken¬raden
van de betrokken gemeen¬ten.
3. Bij de vorming van een combinatie worden de betrokken gemeenten, zo
dit nog niet het geval is, ingedeeld bij een zelf¬de classis.
4. In bijzon¬dere omstandigheden kan de classicale vergade¬ring
een gemeen¬te, indien aan het regiona¬le college voor de visita¬tie
en - in daarvoor in aanmerking komende geval¬len - aan de evangelisch-lutherse
synode is gebleken dat deze gemeente geen mogelijkheid meer heeft om zelf¬standig
te blijven be¬staan, samenbrengen in een combina¬tie met een of
meer ande¬re gemeen¬ten.
5. Een besluit tot het samenbrengen van gemeenten in een combinatie bevat
tevens de voorzie-nin¬gen die zijn getroffen ten aanzien van de verdeling
van de kerk¬dien¬sten, de inde¬ling van het pasto¬rale
werk, het aandeel van elke gemeente in de keuze van de predikant en het
aan-deel van elke gemeen¬te in de kos¬ten, die uit de combi¬natie
voort¬vloeien,
en kan eerst genomen worden nadat
- de kerkenraden van de betrokken gemeenten en de be¬trok¬ken
predikant daarover zijn ge-hoord en
- de leden van de betrokken gemeenten de gelegenheid hebben gekregen hun
oordeel daaromtrent kenbaar te maken.
6. De kerkenraden van de gemeenten die met elkaar een combi¬natie
vormen komen ten minste eenmaal per jaar bijeen om de zaken te bespreken
die hen gezamenlijk raken.
7. Wijzigingen in de in lid 5 bedoelde voorzie¬ningen kunnen worden
aange¬bracht onder over-eenkomstige toepassing van het in dat lid
bepaal¬de.
8. Een combinatie kan worden beëindigd op verzoek van een of meer
betrokken kerkenra¬den, indien naar het oordeel van de classica¬le
verga¬de¬ring daartoe gegronde redenen be¬staan en een redelijke
oplos¬sing is gevonden ten aanzien van de pasto¬rale verzorging
van de betrok-ken gemeenten en ten aanzien van de predikant die aan de
combinatie van gemeenten is verbon¬den.
Artikel 16. Gemeenten met wijkgemeenten
1. Indien aan een gemeente meer dan twee predikanten voor gewone werkzaamheden
zijn ver-bonden wordt de gemeente in de regel ingedeeld in wijkgemeenten.
2. Een gemeente met wijk¬gemeenten¬ heeft een algemene kerken¬raad;
de wijkge¬meenten heb-ben elk een wijkkerkenraad.
3. Indien in een niet in wijkgemeenten ingedeelde gemeente de behoef¬te
bestaat tot vorming van wijkgemeenten, kan de kerkenraad daartoe besluiten
met inachtne¬ming van het in lid 4 bepaal¬de ten¬ aanzien
van elk van de te vormen wijkge¬meen¬ten.
4. De algemene kerkenraad kan - hetzij op verzoek van be¬lang¬hebbende
leden van de gemeen-te, hetzij op verzoek van een of meer kerkenra¬den
van de betrokken wijkgemeenten - tot vorming van een nieuwe wijkge¬meente
besluiten, als daartoe een zodanig aantal gemeentele¬den zal behoren
dat de te vormen wijkgemeente in staat geacht mag worden een wijk¬kerken¬raad
te vormen en de in de orde van de kerk aangege¬ven taken van een wijkgemeente
te ver-richten.
5. De algemene kerkenraad kan ten behoeve van een goede vervulling van
de missionaire, dia-conale en pastorale arbeid van de gemeente - nadat
de betrokken wijkkerkenra¬den zijn ge-hoord en de leden van de betrok¬ken
wijkgemeen¬ten de gelegenheid hebben gekregen hun oordeel daarover
kenbaar te maken - ook eigener beweging overgaan tot de vorming van (nieuwe)
wijkgemeenten.
6. Het aantal en de grenzen van de wijkgemeenten wor¬den, nadat de
betrokken wijkkerken¬raden zijn gehoord en de leden van de betrokken
wijkgemeenten de gelegenheid hebben gekregen hun oordeel kenbaar te maken,
vastgesteld en gewijzigd door de algemene kerkenraad.
Vaststelling en wijziging van het aantal wijkgemeenten kan alleen plaats¬vinden
met medewer-king en goedvinden van de classicale vergade¬ring.
7. De algemene kerke¬nraad kan eigener beweging, en gehoord de betrokken
wijkkerkenraden, dan wel op verzoek van de be¬trokken wijk¬kerken¬ra¬den
twee of meer wijkgemeenten samen-bren¬gen in een combinatie van wijkgemeen¬ten
ten behoeve waar¬van een predikan¬t verbon-den wordt of is aan
de gemeente,
nadat tussen de betrokken wijkkerkenraden en de algemene kerkenraad overeen¬stem¬ming
is verkregen over een regeling van de kerkdiensten, de indeling van het
pastorale werk en het aandeel van elke wijkge¬meente in de keuze van
de predi¬kant.
8. De algemene kerkenraad kan - op verzoek en ten behoeve van leden van
de gemeente die in een bijzondere situatie verkeren en gehoord de kerken¬raden
van de betrok¬ken wijk¬ge¬meenten - deze leden samen brengen
in een wijkge¬meente van bijzonde¬re aard. Een besluit tot vor-ming
van een wijkge¬meente van bijzonde¬re aard behoeft de goedkeu¬ring
van de classi¬cale vergade¬ring, die daarover het advies inwint
van het regiona¬le college voor de visita¬tie.
Voor deze gemeenten gelden - voor zover in de orde van de kerk niet anders
is bepaald - dezelfde regels als voor andere wijkgemeenten.
9. a. Tot een wijkgemeente behoren zij die in het ten behoe¬ve van
de wijkge¬meente bij te hou-den register van leden van de wijk¬gemeen¬te
zijn inge¬schreven.
b. In het register van de wijkgemeente worden - behou¬dens toepas¬sing
van het in artikel 5-3 bepaalde - inge¬schreven de leden van de gemeente
die binnen het grond¬gebied van de wijkge¬meente hun vaste woon¬plaats
heb¬ben.
c. Als lid van een wijkgemeente kunnen - op hun schriftelijk en gemotiveerd
verzoek en met instem¬ming van de kerkenraden van de betrok¬ken
wijkge¬meenten - in het register van de wijkge¬meente ook worden
ingeschreven de leden van de ge¬meen¬te die hun vaste woon-plaats
hebben binnen een andere tot dezelfde gemeente behorende wijkge¬meente.
Weigert een van de betrokken wijkkerkenraden de ge¬vraagde instemming,
dan kunnen betrokkenen een be¬slis¬sing ter zake vragen aan de
algemene kerkenraad.
d. Tot de gemeenschap van een wijkgemeente worden gerekend - naast de
onder b en c bedoelde leden van de wijkgemeente en de in artikel 3 bedoelde
gastleden - de niet-gedoop¬te kinderen van de leden van de wijkge¬meente
alsmede degenen die blijk geven van verbondenheid met de wijkge¬meente.
Het bepaalde in artikel 8 is van over¬eenkomstige toepas¬sing.
e. Het bepaalde in artikel 5-1 en 2 is van overeenkomstige toepassing.
10. De vorming en inrich¬ting van een gemeente
met wijkgemeen¬ten wordt verder geregeld in een door de algemene kerken¬raad
na overleg met de wijkkerkenraden vast te stellen rege¬ling.
Artikel 17. Streekgemeenten
1. Een streekgemeente is een gemeente bestaande uit twee of meer binnen
een classis gelegen gemeenten,
waarin de verzorging van de gemeenschap¬pelijke belangen is opgedragen
aan een streekker-kenraad, een streekcollege van kerkrentmeesters en een
streekcol¬lege van diakenen.
De predikanten zijn verbonden aan de streekgemeente.
2. Bij de vorming van een streekgemeente worden de betrokken gemeenten,
zo dit nog niet het geval is, ingedeeld in eenzelf¬de classis.
3. De tot een streekgemeente behorende gemeenten behouden een beperkte
zelfstandig¬heid.
Tot de door de streekgemeente te verzorgen aangele¬genhe¬den behoort
in elk geval het coör-dineren van de missio¬nai¬re, diaconale
en pastorale arbeid in de gemeenten.
4. a. Een huisgemeente is een tot een streekgemeente beho¬rende ge¬meente
die niet in staat is alle in de orde van de kerk aangegeven taken van
een gemeente te verrichten.
b. Een huisgemeente wordt gevormd door de kerkenraad van een streekgemeente
op ver-zoek van de kerkenraad van de betreffende gemeente nadat de leden
van deze laatstge-noemde gemeente de gelegenheid hebben gekregen hun oordeel
kenbaar te maken.
c. In bijzondere omstandigheden kan de streekkerkenraad – onder
goedkeuring van het breed moderamen van de classicale vergadering en nadat
de kerkenraad en de leden van de betreffende gemeente de gelegenheid hebben
gehad hun oordeel kenbaar te maken – besluiten een gemeente die
deel uitmaakt van de streekgemeente, aan te merken als huisgemeente.
d. Een besluit tot vorming van een huisgemeente bevat een regeling betref¬fende
de taken die door de huis¬gemeente in overleg met en onder verant¬woordelijk¬heid
van de kerke¬nraad van de streekgemeente worden verricht.
e. De kerkenraad van de streekgemeente wijst voor het contact met de huisge¬meen¬te
uit zijn midden ten minste een van zijn leden aan.
5. Twee of meer gemeenten kunnen - op verzoek van de kerken¬raden
van de betrokken ge-meenten en nadat de predikanten daarover zijn gehoord
en de leden van de betreffen¬de ge¬meenten de gelegenheid hebben
gekregen hun oordeel daar¬omtrent kenbaar te ma¬ken - door de
classicale verga¬dering worden samen¬gebracht in een stree¬kgemeen¬te.
6. In bijzon¬dere omstandigheden kan de classicale vergade¬ring
een ge¬meente, indien aan het regiona¬le college voor de visita¬tie
en - in daarvoor in aanmerking komende geval¬len - aan de evangelisch-lutherse
synode is gebleken dat deze gemeente geen mogelijkheid meer heeft om zelf¬standig
te blijven be¬staan, samenbren¬gen in een streek¬ge¬meente
met een of meer an-dere in de classis gelegen gemeen¬ten.
Het besluit daartoe kan eerst genomen worden nadat de kerke¬nraden
van de betrok¬ken ge-meenten en de betrokken predikanten daarover
zijn ge¬hoord en de leden van de betref¬fende gemeenten de gelegenheid
hebben gekregen hun oor¬deel daaromtrent kenbaar te maken.
Dit besluit behoeft de goedkeuring van de generale syno¬de.
7. Het besluit tot vorming van een streekgemeente bevat een regeling ten
aanzien van
- de verdeling van de werkzaamheden over ener¬zijds de streekge¬meente
en ander¬zijds de tot de streekge¬meen¬te behoren¬de ge¬meenten,
- de samenstelling en bevoegdheden van de streekke¬rken¬raad,
het streek¬college van kerkrent¬meesters en het streekcol¬lege
van diake¬nen.
8. Een voor een streekgemeente geldende regeling kan worden gewijzigd
dan wel een streek-gemeente kan worden opgehe¬ven op verzoek van een
of meer kerkenra¬den van de tot de streek¬gemeente behorende gemeen¬ten,
indien naar het oordeel van de classica¬le vergade¬ring daartoe
ge¬gronde redenen bestaan en een redelijke oplos¬sing is ge¬von¬den
ten aan¬zien van de missionaire, diaconale en pasto¬rale arbeid
van de betrokken gemeen¬ten en ten aanzien van de predikant(en) die
aan de streekge¬meente is (zijn) verbon¬den.
Artikel 18. Gemeenten in bijzondere missionaire,
diaconale en pastorale om¬standighe¬den in grootstedelijke gebie¬den
1. De classicale vergadering is bevoegd ten behoeve van het werk van een
(wijk)gemeente of van een (wijk)gemeente van bijzondere aard, gelegen
in een grootstedelijk gebied, die naar het oordeel van de door de generale
synode daartoe aangewe¬zen organen van de kerk in bij-zon¬dere
missionai¬re, diaconale en pasto¬rale omstan¬dig¬heden
ver¬keert, in het kader van een op die bij¬zondere omstandighe¬den
ge¬richt beleid - het regio¬nale college voor de visitatie ge-hoord
- voor¬zie¬ningen te tref¬fen, als daar zijn:
a. het verlenen aan een of meer in overleg met de be¬trok¬ken
gemeen¬te daartoe aangewezen ouderlingen of diake¬nen van de bevoegd¬heid
om in deze (wijk)ge¬meen¬te bij ont¬stente¬nis van de
predi¬kant ambtswerk¬zaam¬heden van een pre¬dikant te
verrich¬ten, waaronder het voorgaan in de kerk¬dien¬sten en
de bediening van de sacramen¬ten, een en ander onder supervisie van
een daartoe aangewezen predikant;
b. andere maatregelen die de betrokken organen van de kerk wense¬lijk
dan wel noodzakelijk achten.
2. De classicale vergadering neemt het besluit tot het treffen van voorzie¬ningen
op verzoek van de desbe¬tref¬fende (wijk)ge¬meente of van
leden van de kerk die in een dergelijke bijzon¬dere si-tuatie verkeren.
3. De classicale vergadering hoort, voordat zij een besluit als bedoeld
in lid 2 neemt,
- de kerkenraad van de betrokken (wijk)gemeente, in¬dien het ver¬zoek
niet van hemzelf af-komstig is en
- de algemene kerkenraad.
4. De classicale vergadering kan ten behoeve van het werk van een (wijk)gemeente,
die niet gelegen is in een grootstedelijk gebied als bedoeld in lid 1,
maar die naar het oordeel van de door de generale synode daartoe aangewezen
organen van de kerk eveneens in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale
omstandigheden verkeert, met inachtneming van het ove-rigens in dit artikel
bepaalde, besluiten tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in lid
1.
Dit besluit behoeft de goedkeuring van de generale synode, het generale
college voor de visi-tatie gehoord.
Artikel 19. Vermogensrechtelijke aspecten van
gemeentevorming
1. Alle besluiten tot
- vereniging, vorming, samenvoeging of splitsing van gemeen¬ten,
- het vormen van een gemeente met wijkge¬meenten;
- het samenbrengen van gemeenten in een combi¬natie van gemeen¬ten
of in een streekge-meente;
- de vorming van een huisgemeente binnen een streekgemeente dan wel
- het beëindigen van een combinatie of het opheffen van een streekgemeente
voorzien ook in de regeling van de daar¬uit voortvloeiende rechtsgevolgen
alsmede de gevol-gen voor het gemeente¬lijk leven. Daar¬bij wordt
in ieder geval een rege¬ling getroffen ten aan-zien van de positie
van de betrok¬ken predi¬kant(en) en kerkelijke medewerkers alsmede
van de diaconale en andere vermogensrechtelijke aange¬legenhe¬den
van de betrokken gemeen-ten.
2. De classica¬le vergade¬ring wint, alvorens een besluit te nemen
inza¬ke de rege¬ling als bedoeld in lid 1, het advies in van het
regio¬nale college voor de behande¬ling van beheersza¬ken
of, in daarvoor in aanmerking komende gevallen van de evan¬ge¬lisch-lutherse
synode en - indien een van de betrokken ge¬meen¬ten behoort tot
een andere clas¬sis - van de andere betrokken classi¬cale vergadering.
3. Indien twee of meer rechtspersoonlijkheid bezittende onderdelen van
de kerk op basis van deze ordinantie worden samengevoegd of verenigd in
een rechtspersoonlijkheid bezittend on-derdeel - niet zijnde een combinatie
van gemeenten of een streekgemeente - vervalt de rechtspersoonlijkheid
van de samengevoegde of verenigde onderdelen, behalve voor zover een daarvan
de verkrijgende rechtspersoon is.
4. Het door samenvoeging of vereniging ontstane onderdeel verkrijgt onder
algemene titel het vermogen van de andere bij de samenvoeging en vereniging
betrokken onderdelen zoals be-doeld in artikel 3:80 en artikel 2:309 Burgerlijk
Wetboek.
5. Bij de vorming van een nieuw onderdeel van de kerk dat rechtspersoonlijkheid
toekomt wordt - mits dat onderdeel eerder onzelfstandig deel uitmaakte
van een rechtspersoonlijkheid bezit-tend onderdeel - krachtens het besluit
tot vorming van het zelfstandige onderdeel, een deel van het vermogen
van het voor de vorming van het nieuwe onderdeel reeds bestaande on-derdeel,
overeenkomstig een beschrijving, verkregen door het nieuw gevormde onderdeel
op de wijze zoals aangegeven in artikel 2:334a e.v. Burgerlijk Wetboek.
6. Bij generale regeling worden regels gesteld met betrekking tot de procedure
die moet worden gevolgd als van de in lid 3 en 5 geboden mogelijkheid
gebruik wordt gemaakt. De generale regeling voorziet in ieder geval in
publicatie van het voornemen tot fusie of splitsing in een daartoe geëigend
medium, in ter inzage legging van de relevante documenten en financiële
jaarstukken, in de mogelijkheid van crediteuren om daartegen bezwaar te
maken en in de verplichting om bij de uiteindelijke besluitvorming te
verantwoorden in hoeverre die bezwaren zijn ondervangen.
7. De samenvoeging, vereniging of splitsing die op voet van lid 3 of 5
wordt gerealiseerd, ge-schiedt bij notariële akte en wordt van kracht
met ingang van de dag na die waarop de akte is verleden. Artikel 2:318
Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
IV. KERKELIJKE INDELING
Artikel 20. Indeling in classes en regionale verbanden
1. De gemeenten worden samengebracht in classes en de clas¬ses in
regio¬nale verbanden door de kleine synode.
2. Wijzigingen in de kerkelijke indeling worden niet aange¬bracht
dan op verzoek van of na over-leg met de kerkenra¬den van de betrokken
gemeen¬ten, de brede modera¬mina van de betrok¬ken classicale
vergaderingen en - in daarvoor in aanmerking ko¬mende gevallen - de
synodale commissie van de evange¬lisch-lutherse syno¬de.
|
 |