ORDINANTIE 3 HET AMBT EN DE ANDERE
DIENSTEN
I. DE VERKIEZING VAN AMBTSDRAGERS IN DE GEMEENTE
ALGEMEEN
Artikel 1. De roeping tot het ambt
1. De roeping tot het ambt in de gemeente geschiedt van Christuswege door
de gemeente bij monde van de kerkenraad.
2. De ambtsdragers worden geroepen op grond van een onder leiding van
de kerkenraad ge-houden verkiezing door de stemgerechtigde leden van de
gemeente, dan wel, indien de orde van de kerk dit aangeeft, op grond van
verkiezing door de kerkenraad.
3. Met het oog op de verkiezing herinnert de kerkenraad de gemeente aan
de plaats en het werk van het ambt in de gemeente van de Heer.
Artikel 2. De verkiezingsregeling
1. De verkiezing wordt gehouden volgens een door de kerkenraad vast te
stellen regeling.
2. Tot vaststelling of wijziging van deze regeling kan de kerkenraad overgaan
met inachtneming van het bepaalde in ordinantie 4-7-2.
3. De kerkenraad bepaalt, na de leden van de gemeente er in gekend en
er over gehoord te hebben, of alleen belijdende leden dan wel ook doopleden
stemgerechtigd zijn en legt dit in de in lid 1 genoemde regeling vast.
Om stemgerechtigd te zijn dienen doopleden de leeftijd van achttien jaar
te hebben bereikt.
4. De kerkenraad kan in de regeling opnemen dat bij volmacht kan worden
gestemd, met dien verstande dat niemand meer dan twee gevolmachtigde stemmen
kan uitbrengen en alleen stemgerechtigde leden gevolmachtigde stemmen
kunnen uitbrengen.
PREDIKANTEN
Artikel 3. De voorbereiding van de verkiezing van predikanten
1. Voordat overgegaan wordt tot de verkiezing en beroeping van een predikant
vraagt de ker-kenraad ter zake advies aan het daartoe aangewezen orgaan
van de kerk. In geval van een vacature in een evangelisch-lutherse gemeente
overlegt dit orgaan met het daartoe aangewe-zen orgaan van de evangelisch-lutherse
synode.
2. De kerkenraad gaat alleen over tot beroepingswerk indien de gemeente,
blijkens een verkla-ring van het regionale college voor de behandeling
van beheerszaken, in staat is aan haar fi-nanciële verplichtingen
te voldoen.
3. De kerkenraad van een wijkgemeente begint de voorbereiding van de verkiezing
en beroeping van een predikant eerst nadat de instemming van de algemene
kerkenraad is verkregen.
4. In (wijk)gemeenten waaraan geen predikant voor gewone werkzaamheden
is verbonden, ge-schieden de verkiezing en de beroeping van een predikant
onder begeleiding van de door het breed moderamen van de classicale vergadering
of door het ringverband aangewezen consu-lent.
In evangelisch-lutherse gemeenten worden de verkiezing en de beroeping
van een predikant evenwel begeleid door de president van de evangelisch-lutherse
synode of een door deze aan te wijzen plaatsvervanger die als consulent
optreedt.
5. Ter voorbereiding van de verkiezing en de beroeping van een predikant
stelt de kerkenraad een beroepingscommissie in waarin naast leden van
de kerkenraad in de regel een aantal an-dere gemeenteleden zitting heeft.
In een gemeente met wijkgemeenten wijst ook de algemene kerkenraad uit
zijn midden een lid aan.
6. De gemeente wordt uitgenodigd schriftelijk en ondertekend bij de kerkenraad
aanbevelingen in te dienen van personen die naar haar mening voor verkiezing
in aanmerking komen.
Artikel 4. De verkiezing van predikanten
1. Voor de verkiezing tot predikant van een gemeente komen in aanmerking
zij die in de Protes-tantse Kerk in Nederland tot het ambt van predikant
beroepbaar zijn.
2. Predikanten voor gewone werkzaamheden zijn pas beroepbaar wanneer zij
ten minste vier jaar de gemeente waaraan zij verbonden zijn, hebben gediend.
Afwijking hiervan is slechts mogelijk met instemming van het breed moderamen
van de clas-sicale vergadering van de classis waartoe de gemeente behoort
waaraan de betrokken predi-kant verbonden is.
3. Een predikant kan niet binnen twee jaar voor de tweede maal worden
beroepen in dezelfde vacature.
4. De kandidaatstelling met het oog op de verkiezing geschiedt door de
kerkenraad. De kerken-raad van een wijkgemeente verricht de kandidaatstelling
tezamen met de algemene kerken-raad in een gezamenlijke vergadering, waarbij
elke van beide kerkenraden met de kandidatuur dient in te stemmen.
5. De verkiezing van een predikant vindt plaats in een door de kerkenraad
belegde vergadering van de stemgerechtigde leden van de gemeente.
Gaat het om de verkiezing van een predikant die als predikant voor gewone
werkzaamheden verbonden zal worden aan een wijkgemeente, dan geschiedt
de verkiezing door de stemge-rechtigde leden van de wijkgemeente.
6. Voor het geval dat de kerkenraad één kandidaat ter verkiezing
aan de gemeente voorstelt, is een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte
geldige stemmen vereist om deze ge-kozen te kunnen verklaren.
7. In een gemeente met meer dan 200 stemgerechtigde leden kan - met medewerking
en goed-vinden van het breed moderamen van de classicale vergadering -
in de in artikel 2-1 bedoelde regeling worden bepaald dat in afwijking
van het in lid 5 voorgeschrevene de verkiezing van de predikant geschiedt
door de kerkenraad.
8. In afwijking van het bepaalde in dit artikel geschiedt in een gemeente
met wijkgemeenten de verkiezing van een predikant met een bepaalde opdracht
ten behoeve van de gemeente in haar geheel die niet tevens aan een wijkgemeente
verbonden wordt, door de algemene ker-kenraad. Deze predikant maakt als
boventallig lid deel uit van de algemene kerkenraad.
9 De kerkenraad maakt de naam van de gekozene aan de gemeente bekend om
haar goedkeu-ring te verkrijgen met het oog op de beroeping.
10. Bezwaren tegen de gevolgde verkiezingsprocedure kunnen worden ingebracht
door stemge-rechtigde leden van de gemeente en dienen uiterlijk één
week na deze bekendmaking schrif-telijk en ondertekend bij de kerkenraad
te worden ingediend.
11. De kerkenraad zendt het bezwaarschrift binnen veertien dagen - onverminderd
zijn verant-woordelijkheid te proberen zelf het bezwaar weg te nemen -
door naar het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen,
dat terzake een einduitspraak doet.
Artikel 5. De beroeping van predikanten
1. Indien geen bezwaren zijn ingebracht of de ingebrachte bezwaren ongegrond
zijn bevonden, wordt de gekozen kandidaat door de kerkenraad beroepen
tot predikant van de gemeente.
Gaat het om de beroeping van een predikant die als predikant voor gewone
werkzaamheden verbonden zal worden aan een wijkgemeente, dan wordt deze
beroepen door de wijkkerken-raad.
Gaat het om de beroeping van een predikant die als predikant voor gewone
werkzaamheden verbonden zal worden aan een streekgemeente, dan wordt deze
beroepen door de streekker-kenraad.
In geval van een combinatie van gemeenten geschiedt de beroeping van een
predikant voor gewone werkzaamheden door de betrokken kerkenraden gezamenlijk.
2. De kerkenraad stelt degene die beroepen is tot predikant van de gemeente
een beroepsbrief ter hand, waarin omschreven staat wat de gemeente en
de predikant elkaar verschuldigd zijn en wat de taak van de predikant
in de gemeente is. De beroepsbrief wordt ondertekend door de preses en
de scriba van de kerkenraad.
Bij het opstellen van de beroepsbrief wordt rekening gehouden met de vrijheid
van het ambt van predikant als dienaar des Woords. De inhoud en de strekking
van de beroepsbrief kunnen er dus niet toe leiden dat de predikant aan
de kerkenraad of aan de gemeente ondergeschikt is.
3. Bij de beroepsbrief behoort een aanhangsel met de schriftelijke opgave
van de toegezegde inkomsten en rechten. Dit aanhangsel wordt ondertekend
door de preses en de scriba van de (algemene) kerkenraad en door de voorzitter
en de secretaris van het college van kerkrent-meesters.
4. De beroepene doet binnen drie weken na de datum van de overhandiging
van de beroepsbrief schriftelijk mededeling aan de kerkenraad of betrokkene
het uitgebrachte beroep aanvaardt.
5. De beroepen predikant die voor gewone werkzaamheden aan een gemeente
verbonden is, vraagt na aanvaarding van het beroep aan de kerkenraad van
deze gemeente een akte van losmaking, welke akte mede ondertekend dient
te worden namens het breed moderamen van de classicale vergadering van
de classis waartoe die gemeente behoort.
De predikant in algemene dienst vraagt na aanvaarding van het beroep een
akte van losma-king aan de ambtelijke vergadering die de predikant beroepen
had tot algemene dienst.
6. De bevestiging vindt plaats nadat approbatie is verleend door het breed
moderamen van de classicale vergadering van de classis waartoe de gemeente
waaraan de predikant verbonden zal worden, behoort.
Deze approbatie geschiedt wanneer is voldaan aan het in de orde van de
kerk terzake van het beroepen en de bevestiging van een predikant bepaalde.
Indien approbatie is verleend, vinden de bevestiging en intrede plaats
binnen drie maanden nadat het beroep is aangenomen, tenzij de kerkenraden
en de beroepen predikant een later tijdstip overeenkomen.
7. De bevestiging vindt plaats in een kerkdienst met gebruikmaking van
een daarvoor bestemde orde.
Indien de beroepene niet eerder het ambt van predikant bekleed heeft,
geschiedt de bevesti-ging onder handoplegging.
8. Indien buitengewone omstandigheden achteraf een ernstig beletsel voor
de beroepene vor-men om tot opvolging van het beroep over te gaan, kan
de kerkenraad van de gemeente die het beroep uitbracht het door de beroepene
gegeven woord teruggeven, mits de kerkenraad van de gemeente die door
de beroepene wordt gediend, daarmee instemt.
OUDERLINGEN EN DIAKENEN
Artikel 6. De verkiezing van ouderlingen en diakenen
1. De verkiezing van ouderlingen en diakenen geschiedt uit de stemgerechtigde
leden van de (wijk)gemeente. Slechts per geval en na instemming van het
breed moderamen van de clas-sicale vergadering kan de kerkenraad een stemgerechtigd
lid van een andere (wijk)gemeente kandidaat stellen met het oog op de
verkiezing tot ouderling of diaken.
2. De kandidaatstelling met het oog op de verkiezing geschiedt door de
kerkenraad.
3. Voorafgaande aan de kandidaatstelling wordt de gemeente uitgenodigd
schriftelijk en onder-tekend bij de kerkenraad aanbevelingen in te dienen
van personen die naar haar mening voor verkiezing in aanmerking komen.
Aanbevelingen van personen die naar de mening van gemeenteleden voor verkiezing
in aanmerking komen, gaan vergezeld van een vermelding bij elke aanbevolene
van het ambt waarvoor de aanbevolene in aanmerking komt.
4. De kerkenraad maakt voor elk ambt waarin een vacature is of zal ontstaan
een verkiezingslijst op met daarop de namen van hen
- die door tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden voor dat ambt zijn
aanbevolen
- die door de kerkenraad zelf voor het ambt worden voorgedragen.
Doopleden worden eerst op de verkiezingslijst opgenomen, nadat de kerkenraad
zich ervan vergewist heeft, met inachtneming van ordinantie 9-4-1 en 2,
dat zij onder de belijdende leden kunnen worden opgenomen.
5. Indien de verkiezingslijst meer namen telt dan het aantal vacatures
voor dat ambt, vindt ver-kiezing plaats door de stemgerechtigde leden
van de gemeente. Indien het aantal kandidaten niet groter is dan het aantal
vacatures, worden de kandidaten verkozen verklaard.
6. De stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente kunnen - telkens voor
een periode van ten hoogste zes jaar - de kerkenraad machtigen om, na
kennisneming van de ingekomen aanbe-velingen voor de verkiezing van ouderlingen
en diakenen, voor elke vacature afzonderlijk een dubbeltal vast te stellen,
waaruit de verkiezing door de stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente
plaatsvindt.
7. In afwijking van het bepaalde in dit artikel geschiedt in een gemeente
met wijkgemeenten de verkiezing van ouderlingen en diakenen met een bepaalde
opdracht ten behoeve van de ge-meente in haar geheel, door de algemene
kerkenraad uit de stemgerechtigde leden van de gemeente, nadat de leden
van de gemeente in de gelegenheid zijn gesteld personen aan te bevelen
die naar hun mening voor verkiezing in aanmerking komen. Zij maken als
boventallig lid deel uit van de algemene kerkenraad. Zij kunnen tevens,
op verzoek van de wijkkerken-raad van de wijkgemeente waartoe zij behoren,
deel uitmaken van die wijkkerkenraad.
8. De kerkenraad maakt de namen van hen die gekozen zijn, aan de gemeente
bekend om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging.
9. Bezwaren tegen de gevolgde verkiezingsprocedure of tegen de bevestiging
van een gekozene kunnen worden ingebracht door stemgerechtigde leden van
de gemeente en dienen uiterlijk één week na deze bekendmaking
schriftelijk en ondertekend bij de kerkenraad te worden in-gediend.
10. De kerkenraad zendt het bezwaarschrift binnen veertien dagen - onverminderd
zijn verant-woordelijkheid te proberen zelf het bezwaar weg te nemen -
indien het gaat om een bezwaar tegen de gevolgde verkiezingsprocedure,
door naar het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen
en, indien het gaat om een bezwaar tegen de bevestiging van de gekozene,
naar het regionale college voor het opzicht.
Het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen doet
terzake een eind¬uitspraak. Het regionale college voor het opzicht
doet, indien het de bezwaren ongegrond ver-klaart, een einduitspraak.
Tegen de uitspraak van het regionale college voor het opzicht om de bezwaren
gegrond te verklaren is beroep mogelijk.
11. Indien geen bezwaren zijn ingebracht of de ingebrachte bezwaren ongegrond
zijn bevonden, vindt - met inachtneming van het in ordinantie 9-5-4 bepaalde
- de bevestiging plaats in een kerkdienst met gebruikmaking van een daarvoor
bestemde orde. De bevestiging kan onder handoplegging geschieden.
Artikel 7. De ambtstermijn van ouderlingen en
diakenen
1. De ambtstermijn van ouderlingen en diakenen is vier jaar. Zij zijn
eenmaal terstond als ambtsdrager herkiesbaar. De kerkenraad kan hiervan
slechts per geval in bijzondere omstan-digheden afwijken na instemming
van het breed moderamen van de classicale vergadering.
2. Zij die niet terstond herkiesbaar zijn, zijn eerst na afloop van een
tijdvak van elf maanden na de datum waarop hun ambtstermijn volgens het
rooster van aftreden verstreken is, verkies-baar.
3. Indien een ambtsdrager is afgevaardigd naar een meerdere vergadering
of als ambtsdrager zitting heeft in een regionaal of generaal college,
kan de kerkenraad de ambtstermijn verlen-gen tot het einde van de termijn
waarvoor deze als afgevaardigde is aangewezen of als lid is benoemd.
4. De kerkenraad stelt voor de ouderlingen en de diakenen een rooster
van aftreden vast. Wan-neer het gaat om de vervulling van een tussentijds
ontstane vacature, handelt de kerkenraad met betrekking tot de datum van
aftreden naar bevind van zaken.
5. Aftredende ambtsdragers houden zo mogelijk in de kerkenraad zitting
tot hun opvolgers zijn bevestigd, doch in elk geval niet langer dan zes
maanden na de datum waarop hun ambtster-mijn volgens het rooster van aftreden
verstreken is.
6. In de plaatselijke regeling voor de verkiezing van ambtsdragers wordt
vastgesteld in welke maand de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt
gehouden.
II. HET DIENSTWERK VAN DE PREDIKANTEN, DE OUDERLINGEN
EN
DE DIAKENEN
Artikel 8. Algemeen
1. De ambtsdragers geven in de uitoefening van hun taken op een zodanige
wijze uitdrukking aan hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor
de opbouw van de gemeente dat de bijzondere verantwoordelijkheid van elk
van de drie ambten tot haar recht komt.
2. De kerkenraad kan een ambtsdrager een bepaalde taak toevertrouwen en
deze op grond daarvan van een deel van de in artikel 9, 10 of 11 genoemde
taken vrijstellen.
3. Niemand kan in een gemeente meer dan één ambt dragen.
Artikel 9. Het dienstwerk van de predikanten
1. Tot opbouw van de gemeenten is aan de predikanten toevertrouwd
- de bediening van Woord en sacramenten door
- de verkondiging van het Woord;
- het voorgaan in de kerkdiensten;
- de bediening van de doop;
- de bediening van het avondmaal;
- het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis;
- het bevestigen van ambtsdragers en het inleiden van hen die in een bediening
worden gesteld;
- het leiden van trouwdiensten en van diensten van rouwdragen en gedenken;
- de catechese en de toerusting;
- het verkondigen van het evangelie in de wereld;
- en zo zij daartoe geroepen worden, het dienen van de kerk in de meerdere
vergaderingen
en tezamen met de ouderlingen
- de herderlijke zorg, onder meer door het bezoeken van de leden van de
gemeente en
- het opzicht over de leden van de gemeente.
2. Een predikant is alleen bevoegd buiten de eigen gemeente werkzaamheden
te verrichten die gerekend kunnen worden te behoren tot het dienstwerk
van een predikant, met goedvinden van de kerkenraad van de andere gemeente
of in opdracht van een meerdere vergadering van de kerk.
Artikel 10. Het dienstwerk van de ouderlingen
1. Tot opbouw van de gemeente is aan de ouderlingen toevertrouwd
- de zorg voor de gemeente als gemeenschap;
- het dragen van medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord
en sacramenten;
- de ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdiensten;
- het toerusten van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en
missionaire roe-ping
- en zo zij daartoe geroepen worden, het dienen van de kerk in de meerdere
vergaderingen
en tezamen met de predikanten
- de herderlijke zorg, onder meer door het bezoeken van de leden van de
gemeente en
- het opzicht over de leden van de gemeente.
2. Aan de ouderlingen die in het bijzonder zijn aangewezen tot kerkrentmeester
is bovendien toevertrouwd, tezamen met de andere kerkrentmeesters,
- de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente
van niet-diaconale aard,
- het bijhouden van de registers van de gemeenteleden en van het doopboek,
het belijde-nisboek en het trouwboek.
Artikel 11. Het dienstwerk van de diakenen
1. Tot opbouw van de gemeente met het oog op haar dienst in de wereld
is aan de diakenen toevertrouwd
- de ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdiensten;
- de dienst aan de Tafel van de Heer;
- het mede voorbereiden van de voorbeden;
- het inzamelen en besteden van de liefdegaven;
- het toerusten van de gemeente tot het vervullen van haar diaconale roeping;
- het verlenen van bijstand, verzorging of bescherming aan hen die dat
behoeven;
- het nemen of ondersteunen van initiatieven die gericht zijn op het bevorderen
van het maatschappelijk welzijn;
- het dienen van de gemeente en de kerk in haar bemoeienis met betrekking
tot sociale vraagstukken en het aanspreken van de overheid en de samenleving
op haar verant-woordelijkheid dienaangaande;
- het beheren van de financiële zaken die bestemd zijn voor het diaconaat
- en zo zij daartoe geroepen worden, het dienen van de kerk in de meerdere
vergaderin-gen.
III. ANDERE DIENSTEN EN OVERIGE FUNCTIES IN KERK
EN GEMEENTE
Artikel 12. Diensten
Algemeen
1. Met het oog op de vervulling van de roeping van kerk en gemeente
kunnen leden van de kerk naast de ambtsdragers in een dienst worden gesteld.
Zij worden kerkelijk werker genoemd.
2. Een dienst betreft arbeid in een gemeente, een classis, de evangelisch-lutherse
gemeenten tezamen of in de kerk als geheel ten behoeve van
- de kerkmuziek,
- de missionaire arbeid,
- het jeugd- en jongerenwerk,
- de vorming, de toerusting en de catechese,
- de pastorale arbeid,
- de diaconale arbeid,
- de gemeenteopbouw of
waar de orde van de kerk dit aangeeft.
3. In een dienst kunnen alleen staan zij die tot hun dienst geroepen zijn
door een ambtelijke ver-gadering.
Zij die in een dienst werkzaam zullen zijn worden daartoe geroepen in
de gemeente door de kerkenraad en anders door de classicale vergadering,
de evangelisch-lutherse synode of de generale synode.
Zij verrichten hun werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van de ambtelijke
vergadering die hen heeft benoemd.
4. Zij die in een dienst zijn gesteld kunnen in de gemeente waaraan zij
verbonden zijn geen ker-kelijk ambt bekleden en geen lid zijn van het
college van kerkrentmeesters.
5. Zij die in een dienst werkzaam zullen zijn, worden aangesteld met inachtneming
van de gene-rale regeling voor de kerkelijk werkers.
6. Zij die in een dienst werkzaam zijn of wensen in een dienst werkzaam
te zijn, worden - wan-neer zij voldoen aan de toelatingseisen door de
generale synode gesteld - opgenomen in een register dat wordt bijgehouden
door de kleine synode.
7. De generale synode stelt, gehoord het daarvoor aangewezen orgaan van
de kerk, de vereis-ten en de eindtermen vast voor de opleiding en vorming
van hen die worden toegelaten om als kerkelijk werker in een dienst gesteld
te worden.
Bediening
8. Belijdende leden die in een dienst werkzaam zullen
zijn, kunnen in een bediening worden gesteld.
Zij die in een bediening zullen worden gesteld leggen een belofte af dat
zij
- bereid zijn in het werk van hun bediening te getuigen van het heil in
Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden van de kerk;
- bereid zijn ijverig en trouw hun arbeid te verrichten en
- bereid zijn zich te onderwerpen aan de regels die in de orde van de
kerk gesteld zijn voor haar leven en werken.
9. Zij die in een bediening worden gesteld worden in hun bediening ingeleid
in een kerkdienst door een predikant met gebruikmaking van een daarvoor
bestemde orde.
10. Zij die in een bediening zijn gesteld, ontvangen nadat zij voor de
eerste maal in een bediening zijn ingeleid, gedurende een nader te bepalen
periode werkbegeleiding door een mentor.
Voor hen die op arbeidsovereenkomst in een bediening werkzaam zullen zijn,
wordt de mentor aangewezen door of vanwege de kleine synode. Voor hen
wordt ook de periode van werkbe-geleiding vastgesteld door de kleine synode.
Artikel 13. De kerkelijk werker met bijzondere
opdracht
1. Een kerkelijk werker met bijzondere opdracht werkt als geestelijk verzorger
in een instelling die de betrokkene aanstelt.
2. Een bijzondere opdracht kan aan een kerkelijk werker worden verleend
door de kerkenraad of de classicale vergadering binnen het gebied waarvan
de instelling gelegen is. De kerkelijk werker wordt daarbij in de bediening
gesteld.
3. De ambtelijke vergadering die de bijzondere opdracht verleent treft
een regeling met de be-trokken instelling waarin wordt vastgelegd dat
de ambtelijke vergadering verantwoordelijk is voor het werk dat de kerkelijk
werker uit hoofde van de bediening verricht. De ambtelijke ver-gadering
stelt een commissie in die de betrokken kerkelijk werker begeleidt in
het uitvoeren van deze werkzaamheden.
4. De kerkelijk werker wordt in de bediening ingeleid in een kerkdienst
nadat het breed modera-men van de classicale vergadering zich ervan heeft
vergewist dat de in lid 3 bedoelde rege-ling is getroffen.
5. De bijzondere opdracht en daarmee de bediening wordt beëindigd
op het moment dat de ker-kelijk werker uit de dienstbetrekking wordt ontslagen
of uit de bediening wordt ontzet.
Artikel 14. Overige functies
1. Ten behoeve van de arbeid in een gemeente, een classis, voor de evangelisch-lutherse
ge-meenten tezamen of in de kerk als geheel kunnen door of vanwege de
desbetreffende ambte-lijke vergadering in een functie medewerkers worden
benoemd.
2. Zij die op arbeidsovereenkomst in een functie werkzaam zullen zijn,
worden aangesteld vol-gens het bepaalde in artikel 28.
3. Zij die op arbeidsovereenkomst in de gemeente in een functie werkzaam
zijn,
kunnen in die gemeente geen lid zijn van de kerkenraad of van het college
van kerkrentmees-ters.
IV. DE RECHTSPOSITIE VAN DE PREDIKANTEN EN DE
KERKELIJKE MEDEWERKERS
DE PREDIKANTEN
Artikel 15. Onderscheid in ambtelijke werkzaamheden
1. Zij die zijn toegelaten tot het ambt van predikant in de Protestantse
Kerk in Nederland kunnen worden beroepen tot en bevestigd in het ambt
van predikant om verbonden te worden aan een gemeente, een classis, de
in een door de kleine synode aangewezen regio samenwer-kende classes,
de evangelisch-lutherse synode of de kerk.
2. De kerk kent naast de dienstdoende predikanten, de beroepbare predikanten
en de emeritus predikanten.
3. De dienstdoende predikanten worden onderscheiden in de predikanten
voor gewone werk-zaamheden, de predikanten in algemene dienst en de predikanten
met een bijzondere op-dracht.
Predikanten voor gewone werkzaamheden
Artikel 16. Algemeen
1. Een predikant voor gewone werkzaamheden verricht de arbeid die volgens
het bepaalde in artikel 9-1 aan de predikant is toevertrouwd.
De kerkenraad kan een predikant voor gewone werkzaamheden een bepaalde
taak toever-trouwen en op grond daarvan deze predikant van een deel van
de gewone werkzaamheden vrijstellen.
2. De beroeping en bevestiging tot predikant voor gewone werkzaamheden
geschieden volgens het bepaalde in de artikelen 1 tot en met 5.
3. Een predikant voor gewone werkzaamheden woont binnen de grenzen van
de gemeente waaraan deze verbonden is. Indien de predikant verbonden is
aan een wijkgemeente woont deze binnen de grenzen van de gemeente waartoe
de wijkgemeente behoort.
Van deze bepaling kan alleen worden afgeweken met toestemming van het
breed moderamen van de classicale vergadering.
4. Voor een predikant voor gewone werkzaamheden geldt een rechtspositieregeling,
waarin het traktement, de pensioenvoorziening en de bijkomende voorwaarden
zijn beschreven.
Deze rechtspositieregeling, neergelegd in de generale regeling voor de
predikantstraktemen-ten en de generale regeling voor de predikantspensioenen,
komt tot stand na overleg met het daartoe aangewezen orgaan van de kerk.
De uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld in het georganiseerd overleg.
5. De kerkenraad van de gemeente waaraan de predikant verbonden is, is
gehouden tot de uit-betaling van het traktement en de vergoedingen en
de toepassing van de overige regelingen, zoals bepaald in de generale
regeling voor de predikantstraktementen. Indien de predikant verbonden
is aan een wijkgemeente, berust deze verplichting op de algemene kerkenraad.
Artikel 17. Predikanten in deeltijdfunctie
1. Een predikant of een proponent die beroepen wordt tot predikant voor
gewone werkzaamhe-den, kan geroepen worden de ambtelijke werkzaamheden
te verrichten in een deel van de vol-ledige werktijd. De omvang van dit
deel van de volledige werktijd dient ten minste een derde en ten hoogste
vier vijfde van de volledige werktijd te bedragen.
2. Voor het uitbrengen van een beroep tot het verrichten van ambtelijke
werkzaamheden in een deel van de volledige werktijd en voor het wijzigen
van het percentage van de volledige werk-tijd waarvoor een predikant is
beroepen, dient toestemming verkregen te worden van het breed moderamen
van de classicale vergadering, en als het gaat om een evangelisch-lutherse
gemeente tevens van de synodale commissie van de evangelisch-lutherse
synode.
Bij de vraag om toestemming dient de in lid 3 bedoelde beschrijving te
worden meegezonden.
3. In de beroepsbrief dient een nauwkeurige beschrijving te zijn opgenomen
van de omvang van de werkzaamheden die binnen de in de beroepsbrief aangeduide
werktijd dienen te worden verricht. Tevens dient in de beroepsbrief te
worden aangeven voor welke delen van het in ar-tikel 9-1 omschreven dienstwerk
van de predikant een andere voorziening wordt getroffen.
4. Een predikant voor gewone werkzaamheden die de toevertrouwde arbeid
verricht in een deel van de volledige werktijd, woont zo mogelijk binnen
de grenzen van de gemeente waaraan deze verbonden is.
Artikel 18. Predikanten in tijdelijke dienst
1. Een predikant voor gewone werkzaamheden wordt beroepen voor onbepaalde
tijd.
2. In bijzondere omstandigheden kan een predikant of een proponent beroepen
worden voor de duur van een nader aan te geven aantal jaren. Dit aantal
jaren bedraagt ten minste vier.
3. Voor het uitbrengen van een beroep op een predikant of een proponent
voor een beperkt aan-tal jaren dient toestemming gegeven te worden door
het breed moderamen van de classicale vergadering.
4. Het voor een beperkt aantal jaren aangegane verband kan alleen worden
verlengd voor on-bepaalde tijd. Vindt geen verlenging plaats, dan wordt
de predikant beroepbaar predikant voor een periode van vier jaar. Deze
periode kan telkens met vier jaar door de kleine synode wor-den verlengd.
Artikel 19. Vrijstelling van werkzaamheden
1. Indien in een gemeente spanningen optreden in verband met ontwikkelingen
in de gemeente of het functioneren van de predikant kan het breed moderamen
van de classicale vergadering na overleg met de kerkenraad en met de predikant
en in geval van een predikant die verbon-den is aan een evangelisch-lutherse
gemeente in overleg met de evangelisch-lutherse syno-dale commissie, de
predikant gevraagd of ongevraagd gedurende enige tijd gehele of gedeel-telijke
vrijstelling van werkzaamheden verlenen.
Een besluit daartoe kan eerst worden genomen na overleg met het regionale
college voor de visitatie.
2. De vrijstelling wordt verleend voor een beperkte periode. Gedurende
deze periode onthoudt de predikant zich van de ambtswerkzaamheden waarvoor
vrijstelling is verleend.
Artikel 20. Ontheffing van werkzaamheden
1. Indien door oorzaken gelegen bij de gemeente of door oorzaken gelegen
in de persoon van de betrokken predikant of door andere oorzaken - in
een gemeente zulke spanningen rijzen, dat de vraag rijst of de predikant
deze gemeente nog langer met stichting kan dienen, kan het breed moderamen
van de classicale vergadering op verzoek van de predikant, op verzoek
van de kerkenraad of uit eigen beweging, gehoord het regionale college
voor de visitatie aan het generale college voor de ambtsontheffing vragen
een oordeel uit te spreken.
Het college spreekt zijn oordeel uit, gehoord de predikant, de kerkenraad
en het regionale col-lege voor de visitatie. In het geval dat een predikant
verbonden is aan een wijkgemeente, wordt zowel de wijkkerkenraad als de
algemene kerkenraad gehoord.
In geval van een predikant verbonden aan een evangelisch-lutherse gemeente,
dient boven-dien de medewerking verkregen te worden van de evangelisch-lutherse
synode.
Tegen het oordeel van het generale college kan men in beroep gaan bij
het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.
2. Is het generale college van oordeel dat de predikant de gemeente niet
langer met stichting kan dienen, dan bepaalt het een termijn van ten minste
drie en ten hoogste twaalf maanden binnen welke de predikant de gelegenheid
heeft zich door het aanvaarden van een beroep of door een verzoek om ontheffing
van het ambt naar dit oordeel te voegen. Gedurende deze periode blijft
de predikant aan de gemeente verbonden.
3. De behandeling van een zaak als bedoeld in dit artikel geschiedt met
inachtneming van het in de generale regeling voor de kerkelijke rechtspraak
bepaalde.
4. Na afloop van de vastgestelde termijn wordt de betrokken predikant
ontheven van de werk-zaamheden en losgemaakt van de gemeente en wordt
de predikant beroepbaar predikant voor een periode van vier jaar. Deze
periode kan telkens met vier jaar door de kleine synode wor-den verlengd.
5. Aan de losgemaakte predikant wordt een wachtgeld toegekend met inachtneming
van de be-palingen van de generale regeling voor de predikantstraktementen.
Artikel 21. Ontheffing van het ambt
1. Indien het generale college voor de ambtsontheffing, bij het oordeel
dat een predikant de ge-meente waaraan hij verbonden is, niet langer met
stichting kan dienen, van oordeel is dat de predikant niet bekwaam is
om enige gemeente met stichting te dienen of in een andere func-tie met
vrucht als predikant werkzaam te zijn kan het generale college deze predikant
onthef-fen van het ambt van predikant.
Het generale college kan een dergelijke beslissing slechts nemen gehoord
de predikant en het regionale college voor de visitatie en met ten minste
twee derde van de uitgebrachte stem-men.
In geval van een predikant verbonden aan een evangelisch-lutherse gemeente,
dient boven-dien de instemming verkregen te worden van de evangelisch-lutherse
synode.
Tegen het oordeel van het generale college kan men in beroep gaan bij
het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.
2. De behandeling van een zaak als bedoeld in dit artikel geschiedt met
inachtneming van het in de generale regeling voor de kerkelijke rechtspraak
bepaalde.
3. Aan de onthevene wordt een wachtgeld toegekend met inachtneming van
de bepalingen van de generale regeling voor de predikantstraktementen.
Overige dienstdoende predikanten
Artikel 22. Predikanten in algemene dienst
1. Een predikant in algemene dienst verricht werkzaamheden die naar het
oordeel van de des-betreffende ambtelijke vergadering, in rechtstreeks
verband staan met de vervulling van het ambt van predikant en uitgaan
van een classis, de in een door de kleine synode aangewezen regio samenwerkende
classes, de evangelisch-lutherse synode of de kerk.
De ambtelijke vergadering laat zijn oordeel dat de werkzaamheden in rechtstreeks
verband staan met de vervulling van het ambt van predikant, toetsen door
of vanwege de kleine syno-de.
2. Een predikant in algemene dienst wordt beroepen door een classicale
vergadering, een alge-mene classicale vergadering, de evangelisch-lutherse
synode of de generale synode, voor de duur van de werkzaamheden die de
predikant worden opgedragen.
3. De ambtelijke vergadering stelt de beroepene een beroepsbrief ter hand,
waarin omschreven staat wat de ambtelijke vergadering en de predikant
elkaar verschuldigd zijn, met verwijzing naar de rechtspositieregeling,
bedoeld in artikel 28. Bij aanvaarding van het beroep is artikel 5-5 van
toepassing.
4. Een predikant in algemene dienst wordt, met inachtneming van het bepaalde
in artikel 5-7, bevestigd in een kerkdienst van een gemeente, binnen het
gebied waarin deze werkzaam zal zijn.
5. De ambtelijke vergadering die de predikant in algemene dienst beriep
laat deze predikant begeleiden door een door haar in te stellen commissie.
De betrokken predikant woont de ver-gaderingen van deze commissie bij.
6. De zorg voor het onderhoud van een predikant in algemene dienst berust
bij de ambtelijke vergadering die deze predikant beriep, en geschiedt
met inachtneming van de rechtspositie-regeling voor kerkelijke medewerkers.
7. Een predikant of een proponent die beroepen wordt tot predikant in
algemene dienst, kan ge-roepen worden de werkzaamheden te verrichten in
een deel van de volledige werktijd.
Artikel 23. Predikanten met een bijzondere opdracht
1. Een predikant met een bijzondere opdracht verricht werkzaamheden die
in rechtstreeks ver-band staan met de vervulling van het ambt van predikant
doch niet uitgaan van een ambtelij-ke vergadering, maar verricht worden
bij een instelling die de betrokkene aanstelt.
De ambtelijke vergadering die de opdracht verleent, laat haar oordeel
dat de werkzaamheden in rechtstreeks verband staan met de vervulling van
het ambt van predikant, toetsen door of vanwege de kleine synode.
2. Een predikant met een bijzondere opdracht wordt beroepen door een (algemene)
kerkenraad, een classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode
of de generale synode.
3. Een predikant met bijzondere opdracht wordt beroepen voor de duur van
de werkzaamheden waartoe de opdracht is verstrekt.
4. De ambtelijke vergadering die de predikant met een bijzondere opdracht
beroept, treft een regeling met de betrokken instelling waarin wordt vastgelegd
dat deze ambtelijke vergadering verantwoordelijk is voor het werk dat
de predikant met een bijzondere opdracht ambtelijk ver-richt en dat de
gemeente respectievelijk de classis respectievelijk de evangelisch-lutherse
gemeenten tezamen respectievelijk de kerk niet aansprakelijk zal zijn
voor de financiële ge-volgen van ontheffing van of ontzetting uit
het ambt of ontslag uit de dienstbetrekking.
Na ontslag uit de dienstbetrekking zonder voorafgaande ontheffing van
of zonder voorafgaan-de ontzetting uit het ambt is de betrokken predikant
beroepbaar predikant voor een periode van vier jaar. Deze periode kan
telkens met vier jaar door de kleine synode worden verlengd.
5. De ambtelijke vergadering stelt de beroepene een beroepsbrief ter hand,
waarin omschreven staat wat de ambtelijke vergadering en de predikant
elkaar verschuldigd zijn, met als bijlage de in het vorige lid bedoelde
regeling.
Bij aanvaarding van het beroep is artikel 5-5 van toepassing.
6. Een predikant met een bijzondere opdracht wordt met inachtneming van
het bepaalde in arti-kel 5-7, bevestigd in een kerkdienst van een gemeente
binnen het gebied waarin deze werk-zaam zal zijn.
Indien de predikant verbonden wordt aan een gemeente, dient vooraf het
breed moderamen van de classicale vergadering zich ervan te vergewissen
dat de in lid 4 bedoelde regeling is getroffen.
7. De ambtelijke vergadering die de betrokken predikant beriep laat deze
predikant begeleiden door een door haar in te stellen commissie. De betrokken
predikant woont de vergaderingen van deze commissie bij.
Overige regels
Artikel 24. Nevenwerkzaamheden
1. Indien een predikant naast de werkzaamheden als predikant andere arbeid
verricht, dient de ambtelijke vergadering die beroept of beriep, zich
ervan te overtuigen dat deze arbeid vere-nigbaar is met het ambt van predikant
en niet strijdig is met het belang van de gemeente of van de kerk.
Artikel 25. Emeritaat
1. Een predikant
- die de in de generale regeling voor de predikantspensioenen genoemde
leeftijd heeft be-reikt en gebruik maakt van het recht op emeritaat,
- die gebruik maakt van een voor deze predikant geldend recht op volledige
pensionering, of
- die blijvend niet in staat is de werkzaamheden van een predikant te
verrichten,
wordt op eigen verzoek, op verzoek van de ambtelijke vergadering die de
predikant beriep of ambtshalve emeritus verklaard.
Een predikant voor gewone werkzaamheden wordt uiterlijk bij het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar emeritus verklaard, tenzij de betrokken kerkenraad
en predikant, met inachtneming van het in de generale regeling bepaalde,
een later tijdstip overeenkomen.
2. In geval van een predikant die aan een gemeente verbonden is, geschiedt
de emeritusverkla-ring door het breed moderamen van de classicale vergadering.
In alle andere gevallen geschiedt de emeritusverklaring door de kleine
synode.
3. De vaststelling en de uitbetaling van het pensioen van predikanten
geschieden met inachtne-ming van de bepalingen van de generale regeling
voor de predikantspensioenen.
Artikel 26. Ontheffing van het ambt op eigen verzoek
1. Een predikant die door bijzondere omstandigheden het ambt niet langer
kan vervullen, wordt op eigen verzoek eervol van het ambt ontheven en
is, tenzij de omstandigheden het onmoge-lijk maken een beroep in overweging
te nemen, voor een periode van vier jaar beroepbaar predikant. Deze periode
kan telkens met vier jaar door de kleine synode worden verlengd.
2. Het staat een predikant niet vrij het ambt neer te leggen. Een predikant
kan evenwel op eigen verzoek eervol van het ambt worden ontheven.
3. In het geval van een predikant die verbonden is aan een gemeente, wordt
de ontheffing van het ambt verleend door het breed moderamen van de classicale
vergadering en in alle andere gevallen door de kleine synode.
Artikel 27. Bevoegdheid tot de bediening van Woord
en sacramenten
1. Een emeritus predikant en een beroepbaar predikant behouden de bevoegdheid
tot de bedie-ning van Woord en sacramenten.
2. Een predikant die wegens bijzondere omstandigheden eervol van het ambt
ontheven is en geen beroep in overweging kan nemen, behoudt voor een periode
van vier jaar de bevoegd-heid tot de bediening van Woord en sacramenten.
3. Het breed moderamen van de classicale vergadering waartoe de gemeente
behoort waar betrokkene als lid is ingeschreven kan een predikant die
op eigen verzoek eervol van het ambt is ontheven en degene die de bevoegdheid
tot de bediening van Woord en sacramenten heeft behouden, telkens voor
een periode van vier jaar de bevoegdheid tot de bediening van Woord en
sacramenten laten behouden, wanneer deze daarom verzoekt en het belang
van de kerk daarmee is gediend.
4. Degenen die de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten
hebben behouden, worden op hun verzoek door de kleine synode, al of niet
onder voorwaarden, beroepbaar ge-steld, tenzij het belang van de kerk
zich daartegen verzet.
5. Dienstdoende predikanten en zij die de bevoegdheid tot de bediening
van Woord en sacra-menten hebben behouden, kunnen van de kerkenraad van
een gemeente - waar van toepas-sing met instemming van de kerkenraad van
de eigen gemeente - voor een periode van ten hoogste vier jaar de opdracht
krijgen tot het verrichten van hulpdiensten in de eerstgenoemde gemeente.
6. Een emeritus predikant en een beroepbaar predikant zijn bevoegd in
een gemeente met min-der dan 300 leden en in andere door het breed moderamen
van de classicale vergadering te beoordelen gevallen het dienstwerk van
een predikant te verrichten zoals beschreven in arti-kel 9-1, indien de
kerkenraad, met instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering
hen daartoe roept voor een periode van tenminste twee jaar en ten hoogste
vier jaar.
7. De kleine synode is bevoegd, met instemming van het generale college
voor de ambtsonthef-fing, om de bevoegdheid tot de bediening van Woord
en sacramenten in te trekken dan wel aan de bevoegdheid beperkende voorwaarden
te stellen indien het belang van de kerk dit vereist.
DE KERKELIJKE MEDEWERKERS
Artikel 28. De kerkelijke medewerkers
1. Onder de regeling voor de rechtspositie van de kerkelijke medewerkers
vallen:
- de predikanten in algemene dienst;
- zij die in een dienst zijn gesteld in gemeente of kerk en werkzaam zijn
op arbeidsover-eenkomst;
- zij die in enige functie in gemeente of kerk werkzaam zijn op arbeidsovereenkomst.
2. De kerkelijke medewerkers worden benoemd door of vanwege de ambtelijke
vergadering of het kerkelijke lichaam onder verantwoordelijkheid waarvan
zij werkzaam zijn.
Een kerkelijke medewerker wordt aangesteld
- voor een gemeente door het college van kerkrentmeesters of door het
college van diake-nen;
- voor een classis door het breed moderamen van de classicale vergadering;
- voor de evangelisch-lutherse synode door de evangelisch-lutherse synodale
commissie;
- voor de kerk door of vanwege de kleine synode.
3. De vertegenwoordiging van een gemeente, een classis, de evangelisch-lutherse
synode res-pectievelijk de kerk ter zake van het werkgeverschap is opgedragen
aan de instantie die de aanstelling verrichtte.
4. De aanstelling, de salariëring, de schorsing en het ontslag van
kerkelijke medewerkers ge-schieden volgens de generale regeling voor de
rechtspositie van de kerkelijke medewerkers.
5. De rechtspositieregeling, neergelegd in de generale regeling voor de
rechtspositie van de kerkelijke medewerkers, komt tot stand na overleg
met het daartoe aangewezen orgaan van de kerk. De uitvoeringsbepalingen
worden vastgesteld in het georganiseerd overleg.
6. De kleine synode is belast met het vaststellen en het uitvoeren van
het algemene personeels-beleid.
|
 |