Hervormde Kerkbode voor de Veluwe - ds. C. Stelwagen
21 november 2003

Tot slot wil ik graag een paar opmerkingen maken die soms wat meer persoonlijk zijn. Dat wil zeggen, dat ze een eenheid vormen met mijn persoon, met mij vergroeid zijn. Ik ben met die gedachten vergroeid. En ik weet, dat er in Nederland nog zo'n volk is, dat groot geworden is met de gedachte (hoe bestreden ook): God zal die kerk oprichten uit haar diep verval, door welke oordelen ook heen. Ook als de Hervormde kerk zich verenigt met twee andere kerken en zich voortzet in de PKN.

Het zijn soms (vaak?) de stillen in den lande, die in 't verborgen zuchten onder de gruwelen en oordelen, onder de misten en dampen, onder afval en verval. Ze vinden die dingen niet in 't minst in hun eigen hart. Ze schreeuwen niet op de straten, maar ze buigen in de binnenkamer. En ze belijden voor God: Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd. Een volk met een heimwee. Een volk op de puinhopen, daar kunnen ze niet zingen. Al zingen ze soms zelfs in de nacht. Een volk, dat mede schuldig is. Een volk, dat uitziet naar die zolang gewenste dagen van Gods gunstrijk welbehagen. Wanneer, o God, wanneer. Een volk in de nacht, dat blijft uitzien, tegen hoop op hoop, naar het herstel van deze kerk. Deze kerk, ergens in de Middeleeuwen hier door God geplant, in de Reformatie van binnenuit hervormd, door Afscheiding en Doleantie heen, bewaard. Door God geplant, door God voortgezet, onder Zijn trouw, onder Zijn verbondszegeningen en verbondsoordelen.

Met de woorden van dr. Krummacher vertolk ik mijn en hun gevoelen. Waarom, zo vroeg Krummacher, bleef de grootste meerderheid der levendige christenen deze kerk getrouw? Hierom vooral, zo zegt hij: 'Velen onder hen erkennen nog de duizenden grote wonderen Gods uit de geschiedenis van hun land en kerk. Zij zijn de stromen van martelaarsbloed, waarmee zij bij haar geboorte begoten en gewijd werd, nog niet vergeten. Zij zien in de geest de vaderen, die als geloofshelden gestorven zijn, nog biddende voor de kerk van Nederland, voor de troon van God staan; en zij zien even zoveel beloften over hun kerk zweven. Zij blijven nog vasthouden aan de Goddelijke toezeggingen, die aan de vaderen gedaan zijn voor de kerk des Vaderlands. En op die grond zien zij een hartverblijdende toekomst voor de kerk van Nederland tegemoet. Daarom kunnen zij hun land en hun kerk niet opgeven. En zo staan zij daar, als echte erfwachters des Heeren, een nieuwe levensperiode van hun kerk tegemoet te zien. En hun hoop zal niet beschaamd gemaakt worden, maar misschien nog eerder, dan zij het vermoeden, tot de zaligste verwerkelijking komen.' Daarom beamen wij van harte de profetische woorden van wijlen ds. G. Boer: 'Zelfs wanneer God met Zijn oordelen zal doortrekken en de gehele Hervormde kerk tot op haar fundamenten zou afbreken, dan nog blijven wij geroepen voor God en Zijn Woord te getuigen. Ook bij de ondergang zorgt God dat Zijn getuigenis niet versterft. '

Het is mij natuurlijk niet onbekend, dat over met vrees en beven meegenomen worden of zich onttrekken sterke verdeeldheid heerst. Over het smartelijke daarvan zal ik nu hier niet schrijven. Mijn standpunt is de lezer duidelijk. Het is het oude, klassiek-hervormde standpunt. Maar ik weet evengoed, dat er onder degenen die zeggen niet mee te kunnen gaan, mensen zijn die verscheurd worden in hun ziel. Die ook dat heimwee met zich omdragen. Het moet mij trouwens wel van het hart, dat de rillingen over je ziel liepen, als je hoort dat sommige mensen het zo stellen: blijven is een keuze tegen Christus, onttrekken is een keuze voor Christus. Ik heb altijd gedacht, dat Gods Woord met de keuze voor of tegen Christus iets diepers bedoelt. Dus zo'n stelling vind ik alleen maar grenzeloos oppervlakkig.

Ik ben het van harte eens met de oproep naar de Synode toe schouder aan schouder te staan. We achten het, bijbels gezien, volstrekt onverantwoord en ook onmogelijk dat de gemeente scheurt. Door zo'n fusie en scheuringsproces, waar wij allen diepgaande bezwaren tegen hebben. Die pijn en nood leggen we bij de Synode neer. De synode heeft een dienende taak, naar al haar gemeentes toe. De Synode heeft als roeping hier een oplossing te scheppen, waarbij de eenheid van de gemeente bewaard blijft. O God, wij leggen onze smeekschriften voor U neer. Synode, wilt u tirannie bedrijven of uw dienende taak naar de gemeentes toe verstaan? Ik beef voor Gods doortrekkende oordelen in kerk en staat. Ik heb het geloof niet, die af te bidden. Maar er is een volk, dat ik toeroep

- laat ons rechteloos zijn
- laat ons vertwijfeld zijn
- laat ons dan veracht en versmaad zijn
- laat ons dan onbegrepen zijn.

Maar dan juist krijgt het geloof de schoonste kansen. Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel. O Heere, sta Gij op tot de strijd. Herstel Uw wijnstok als weleer.
Hoe het moet? Dat weet God! En dat zij ons genoeg. God beware ons voor vleselijke stappen, voor grote woorden, die we niet waar kunnen maken. We zullen verantwoording moeten afleggen, ook van deze zaken. En dat niet voor mensen, maar voor God.
Ik ben voor honderd procent tegen de voorgestelde fusie. Ik ben voor honderd procent tegen weggaan. En het is de taak van de Synode in dat spanningsveld een oplossing aan te reiken. Want nooit mag worden toegestaan, dat een gemeente scheurt.
Nog een enkele opmerking. De uitspraak van ds. Moorrees, na 1816, is veelzeggend: 'De gereformeerde belijdenis is nog niet openbaar verworpen.' Wel verworpen dus, maar nog niet openbaar verworpen. Dat is zo gebleven en dat zou ook van de PKN gezegd kunnen worden. De gereformeerde belijdenisgeschriften gaan nog mee, maar ze worden niet gehandhaafd als grondslag van de kerk. Al sinds 1816 niet, helaas.

Tot slot een enkele regel uit het Amsterdams zondagsblad (onder redactie van de Kohlbruggiaan J.C.S. Locher): 'Daarom het herstel der kerk niet gezocht in de weg van afscheiding. Die komt voort uit miskenning van de macht van het Woord. Wie aan de macht van het Woord vasthoudt, die kan zich niet van de landskerk afscheiden, zolang de Heere Zijn Woord nog daarin laat. Zolang die beide, zuivere prediking des Woords en bediening der sacramenten naar de instelling van Christus, niet ontbreken - al werden ze maar op een enkele plaats, in een enkele plaatselijke gemeente gevonden - zolang mogen wij de landstreek niet verlaten. Dat Woord toch is machtig de overhand te nemen. In dat Woord ligt alles wat het welzijn der kerk bevordert'. Daarom: We moeten niet de kerk uit, maar de schuld in.' (ds. Van der Kooy)
De Heer', in Israël geprezen, doet wond'ren, Hij alleen.
Dat zou ik wel duizend keer willen zeggen: Hij alleen.

C. Stelwagen, v.d.m.

Ga naar | Dossier Samen op Weg |