Sinds de jaren zestig zijn de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden verwikkeld in het Samen op Weg-proces. Het verenigingsproces van deze drie protestantse kerken in Nederland heeft al heel wat geschiedenis geschreven, letterlijk en figuurlijk.Vele kolommen tekst, informatief en opiniërend, hebben de laatste jaren de pagina’s van vele kranten en tijdschriften gevuld. Maar nog altijd wordt er doorgewerkt naar het einddoel: een verenigde kerk. De opening van het gebouw van de arbeidsorganisatie van de verenigde kerk, waarin de gezamenlijke arbeidsorganisatie van de drie kerken haar intrek genomen heeft, is een belangrijke mijlpaal op weg naar dat doel: een gezamenlijk onderdak voor hervormden, gereformeerden en lutheranen. Op dit moment tellen de kerken tezamen met bijna 2300 gemeenten zo’n drie miljoen leden. Daarvan is de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) de grootste met ruim twee miljoen leden. De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) hebben er ruim 683.000 en de Evangelisch-Lutherse Kerk (ELK) heeft er ca. 16.000.
Tien jaar…
Al vóór de jaren zestig snoven hervormden en gereformeerden elkaars kerkgeur op: vaag vertrouwd, want ooit zaten ze samen in één kerkbank. Maar toch ook vervreemd van elkaar, een deel van hen met de pijn van de scheiding nog in de botten. Afscheiding en Doleantie hadden diepe sporen getrokken, dwars door families heen. Tot meer dan verkennende gesprekken op hoog bestuurlijk (synodaal) niveau kwam het toen nog niet. Tot aan 1961. Toen riepen achttien hervormde en gereformeerde predikanten op tot bezinning. Want ‘de gescheidenheid van de hervormde en gereformeerde kerken kan niet langer geduld worden’, zo meenden zij. En het sloeg aan. Een jaar later kwamen in Utrecht (!) 4500 ‘gewone’ gelovigen bijeen die deze oproep van harte ondersteunden. Wat tot dan toe op synodaal niveau was blijven steken, werd op aandringen van ‘de basis’ een opdracht voor de toekomst. En zo is het begonnen, met wat de geschiedenis zou ingaan als de ‘Verklaring van de Achttien’. Er waren toen optimisten die dachten dat de zaak in zo’n jaar of tien wel geklaard zou zijn. Inmiddels zijn het er bijna veertig. In 1973 kwamen de synodes van de beide kerken voor het eerst bijeen in een gecombineerde vergadering, de zogenaamde combisynode. De raad van deputaten Samen op Weg wordt een feit. Deze vergadering, opgedeeld in werkgroepen, zal de opdrachten van de gezamenlijke synode gaan uitvoeren en de vergaderingen voorbereiden. De werkgroep ‘Samenwerking Plaatselijk Vlak’ zal plaatselijke gemeenten die samen op weg willen, de helpende hand gaan bieden. De belangrijkste leidraad bij het Samen op Weg-proces moest namelijk zijn dat het proces van onderaf gestalte moest krijgen. Dat geeft plaatselijke gemeenten immers de mogelijkheid om in eigen tempo mee te groeien. Van dwang kan geen sprake zijn. In deze jaren zien we ook het elan, begonnen aan de basis met ‘De Achttien’, verschuiven naar de traagheid van de beslissingen aan de synodale top, die soms ook plaatselijke Samen op Weg-ontwikkelingen beïnvloeden. ‘Stroefheid’ en ‘taaie kerkstructuren’ zouden er de oorzaak van zijn dat het niet meer zo wilde vlotten met Samen op Weg.Samenwerking komt op gang
Langzaamaan werden in plaatselijke gemeenten de eerste ‘echte’ samenwerkingsverbanden zichtbaar. Zowel de hervormde als de gereformeerde kerkorde openden de mogelijkheid daartoe. Voorzichtig begonnen op onderdelen van het kerkelijk werk, zoals vorming en toerusting of jeugdwerk en catechese, strekte de samenwerking zich plaatselijk over steeds meer terreinen uit, tot aan officiële federatieve verbanden toe. In 1976 hield de werkgroep ‘Samenwerking Plaatselijk Vlak’ van de raad van deputaten onder de ruim 2300 hervormde en gereformeerde plaatselijke gemeenten een enquête over de stand van zaken inzake Samen op Weg. Er bleken al heel wat gemeenten op enigerlei wijze samen te werken; in dertig gevallen was toen al sprake van een federatief verband. Duidelijk was inmiddels ook, dat er gemeentes waren voor wie Samen op Weg (nog) geen optie was. Ook op het niveau van de provinciale besturen – aan hervormde kant de provinciale kerkvergaderingen (PKV-en), aan gereformeerde kant de particuliere synoden (PS-en) – kwam de samenwerking op gang. In 1983 werd de eerste gecombineerde vergadering PKV-PS Noord-Brabant en Limburg gehouden. Ook in de dagelijkse praktijk gingen de regionale hervormde en gereformeerde bureaus in deze jaren op steeds meer terreinen samenwerken. De samenwerking werd aanvankelijk erg bemoeilijkt door de verschillen in regionale kerkelijke indeling. De nieuwe classicale herindeling (75 hervormde/gereformeerde classes – de lutheranen kennen deze bestuursvorm niet) ging in 1993 van start. Daarmee werd een belangrijk obstakel voor regionale samenwerking opgeheven. Inmiddels is de opbouw van de negen regionale dienstencentra in volle gang. In 1990 ging ook de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden meedoen in het Samen op Weg-proces. De triosynode (gezamenlijke vergadering van de drie synoden) wordt in dat jaar een feit. Niet dat deze vergadering het nu geheel voor het zeggen krijgt: besluiten van de triosynode moeten door de afzonderlijke synoden bekrachtigd (geratificeerd) worden voordat ze geldigheid krijgen.Tegenstribbelen
De hervormde en gereformeerde modaliteiten (stromingen in beide kerken) in de kerken maakten het de synoden nogal eens moeilijk om spijkers met koppen te slaan. Ondanks herhaalde pogingen hun angst dat gemeenten gedwongen zouden worden te gaan samenwerken, weg te nemen, bleven ze bezwaren houden. Af en toe verzetten zij zich, in de triosynode, de eigen synode of door middel van bijeenkomsten, persberichten en brieven (De Gereformeerde Bond het ‘ adres’ van Putten, nov. 1992) tegen (onderdelen van) het gevolgde beleid. Ook de lutheranen, in Nederland klein in aantal, maar buiten de grenzen deel uitmakend van een wereldkerk, roerden zich meermalen, bang hun eigenheid te verliezen. Maar ook de voorstanders van Samen op Weg lieten van tijd tot tijd hun stem horen in de media, in enquêtes of via de officiële synodekanalen. De eerste (en belangrijkste) zaak die moest worden aangepakt was een nieuwe kerkorde voor de toekomstige verenigde kerk, die in de plaats zou komen van de drie afzonderlijke kerkorden. De basis ervan zou de hervormde kerkorde van 1951 zijn. Dit traject verliep evenmin zonder problemen. De Gereformeerde Bond bleef moeite houden met de richting van het Samen op Weg-proces. Maar ook sommige gereformeerden hadden bezwaren. Zij konden zich er maar met moeite in vinden dat de hervormde kerkorde van 1951 uitgangspunt was. Maar uiteindelijk draaiden ze bij. De triosynode aanvaardde in november 1997 de tekst van de nieuwe kerkorde. Ook de naam van de nieuwe kerk zorgde voor irritaties. Volgens sommige hervormden moest het woord ‘hervormd’ erin. Een stap te ver voor gereformeerden en lutheranen: geen delen uit bestaande namen in de nieuwe naam, vonden zij. Aanvankelijk leken de laatsten te winnen. De ‘Verenigde Protestantse Kerk in Nederland (VPKN)’ zou het worden. In oktober 1993 stelde de triosynode deze naam vast, met 123 stemmen voor en 41 tegen. Maar bij de ratificatie van de kerkordetekst in de hervormde synode in maart 1998 ging het mis. De hervormde synode koos voor een naam die in een eerder stadium al een rol heeft gespeeld: ‘Verenigde Kerk der Hervorming in Nederland’. En daarmee was ook de ratificatie van de gehele kerkordetekst van de baan. Over de 19 artikelen moest eerst afzonderlijk gestemd worden, hetgeen in de triosynode noch in de afzonderlijke synoden problemen opleverde. Daarna moest per synode ook nog eens over de tekst in haar geheel gestemd worden. En zover kwam het in de hervormde synode in 1998 niet, omdat zij een andere naam aanvaardden dan de triosynodevergadering. Inmiddels liggen ook de commentaren uit de kerken op de ontwerpen voor de ordinanties (de uitwerking van de grondregels) op tafel.Arbeidsorganisatie
Hoewel plaatselijke gemeenten een nogal wisselend beeld te zien gaven voor wat betreft hun bereidheid om Samen op Weg te gaan, verliep het in die plaatsen, waar dat wel het geval was, meestal toch heel soepel. En men begreep inmiddels dat ‘wie niet samen wilde, ook niet hoefde’. Zo was het afgesproken. Dus wat nu eigenlijk het probleem in de synoden was, bleef voor veel mensen onduidelijk. De emoties van voor- en tegenstanders, plaatselijk, regionaal en landelijk, liepen af en toe hoog op. Er was een lichtpunt. De samenvoeging van de arbeidsorganisaties verliep dan wel niet geheel vlekkeloos, maar toch gestadig. Ooit, in de jaren zeventig, was er al sprake geweest van een gezamenlijk dienstencentrum van hervormden en gereformeerden. Maar nu leek het een logische stap om naast het einddoel van de fusie van de drie kerken ook de drie arbeidsorganisaties op één plek samen te brengen. Want de nieuwe kerkorde kan pas in praktijk gebracht worden als de organisatie van de kerk daarop is toegesneden. In de jaren negentig wordt de centrale locatie voor de kerken weer actueel. Volgens de speciaal benoemde commissie Structuurvragen moet gestreefd worden naar een klein landelijk dienstencentrum. De (negen) regionale centra zijn als eerste aangewezen om de dienstverlening aan plaatselijke gemeenten te verzorgen. Want zo luidt het motto: ‘Het hart van de kerk klopt in de plaatselijke gemeente.’ Het rapport ‘Mensen en Structuren’ waarin de organisatiestructuur van de landelijke en regionale organisatie van de toekomstige verenigde kerk is beschreven, werd in oktober 1993 door de triosynode aanvaard, met slechts drie stemmen tegen.Zo is het gekomen
Toch bleef bij sommigen, hervormden en gereformeerden, de vrees bestaan dat met het aanvaarden van dit rapport op onaanvaardbare wijze vooruit gegrepen werd op de vereniging van de drie kerken. Opnieuw werden zij gerustgesteld. Als de ontwikkelingen rond de kerkorde daartoe aanleiding zouden geven, waren aanpassingen binnen de arbeidsorganisatie nog altijd mogelijk. ‘Structuur (van de organisatie) volgt kerkorde’ en niet andersom. Zo was het afgesproken en zo zou het zijn. ‘Mensen en Structuren’ maakte gewag van een aantal nieuwe snufjes, zoals drie organen van bijstand (de latere generale diensten), algemene classicale vergaderingen en de regioconsulent. Voorop staat: de kerk is en blijft een vrijwilligersorganisatie, met de plaatselijke gemeente als basis. De regionale en landelijke (functionarissen-)organisaties zijn er om dit werk te ondersteunen. Een centrale werkplek is daarbij voor de laatste onontbeerlijk. Maar de uiteindelijke aansturing van het geheel van de arbeidsorganisatie is in handen van ‘de synode’. Simpel gezegd: ‘de kerk’ bepaalt ‘het werk’ en de uitvoering ervan. En zo is het gekomen. In 1996 viel de beslissing: het nieuwe landelijke dienstencentrum (LDC) zou gevestigd worden in het voormalig Militair Hospitaal in de Utrechtse wijk Oog in Al. Het LDC werd in december 1999 officieel in gebruik genomen.Voorzichtigheid geboden
En hoe gaat het plaatselijk met Samen op Weg, alle landelijke strubbelingen overziende? Over het algemeen goed, zou ik denken, hoewel er ook streken in het land zijn waar gemeenten aarzelingen houden ten aan zien van het Samen op Weg-proces. Er wordt meer en meer samengewerkt en gefedereerd, van het noorden tot het zuiden. In een eigen tempo dat vaak los lijkt te staan van landelijke ontwikkelingen, maar er wel de beperkingen van ondervindt in de vorm van verschillen in regelgeving, quota, collectes. Want plaatselijk gaat het soms sneller en is er meer mogelijk. Ondanks bestaande cultuurverschillen tussen kerken, gebrek aan voldoende financiën om het als gemeente op je eentje vol te kunnen houden, de moeite van kleine gemeentes die gaan samenwerken met grotere, de pijn om het afstand moeten doen van het vertrouwde, eigen kerkgebouw. Maar aan de andere kant; onvermoede kansen op verrijking, vernieuwing, efficiëntere bestuursvormen, een kerk waar ook jongeren weer bij willen horen. Daarbij is voorzichtigheid geboden. Overhaaste veranderingen leiden tot onbegrip en uiteindelijk tot het wegblijven van trouwe kerkleden. Goede en tijdige informatie, gemeenteavonden, gesprekken met mensen die er moeite mee hebben, het levert uiteindelijk alleen maar winst op. Want ‘het hart van de kerk klopt in de plaatselijke gemeente’.Nelleke Slootweg, eindredacteur van Kerkinformatie
Bovenstaand overzicht is overgenomen uit de bundel Onvoltooid verleden.
Honderd jaar landelijke kerkenwerk, uitgegeven door Boekencentrum Zoetermeer 1999, p.11-16.
Ga naar | Dossier Samen op Weg |